ECLI:NL:RBDHA:2026:3697

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL26.8870
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring Algerijnse nationaliteit

De minister heeft op 10 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, een persoon van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 23 januari 2026 bevestigd.

In deze procedure stond de rechtmatigheid van de bewaring sinds dat moment centraal. Eiser betoogde dat er onvoldoende zicht is op uitzetting naar Algerije, omdat de Algerijnse autoriteiten sinds 4 november 2025 niet inhoudelijk hebben gereageerd op een verzoek om een laissez-passer. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld door niet op dossierniveau te rappelleren.

De rechtbank oordeelde dat er nog steeds zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door een schriftelijke rappel op 29 januari 2026 en een vertrekgesprek met eiser op 6 februari 2026. Ook is vastgesteld dat eiser niet bereidwillig is om medewerking te verlenen aan het uitzettingstraject. De rechtbank zag geen reden om een lichter middel toe te passen en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8870

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 23 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 januari 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 23 januari 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser betoogt dat de Algerijnse autoriteiten op 4 november 2025 om een lp [4] -afgifte is gevraagd. Sindsdien blijft het stil. Drie en halve maand zou toch voldoende moeten zijn om ten minste een inhoudelijke terugkoppeling te mogen verwachten. Op dit moment is niet eens bekend of en zo ja welk onderzoek plaatsvindt. Gelet hierop is van redelijk zicht op uitzetting geen sprake meer. De minister had ten minste op dossierniveau kunnen en moeten informeren naar de stand van zaken. Door dit na te laten handelt de minister onvoldoende voortvarend. Een algemeen en schriftelijk rappel in alle lopende Algerijnse zaken is niet voldoende. Ook voert eiser aan dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. Ook acht de rechtbank van belang dat in onderhavige procedure niet is gebleken dat eiser bereidwillig is om zijn medewerking te verlenen, door bijvoorbeeld contact op te nemen met de consulaire vertegenwoordiging van Algerije. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek van 6 februari 2026 aangegeven dat hij niets kan doen om het lp-traject te versnellen.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 29 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Gelet op de duur van het lp-traject ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister nu al op dossierniveau had moeten rappelleren. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat op 6 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5.3.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
4.Laissez-passer.
5.Zie de Afdelingsuitspraken van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.