De minister heeft op 10 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, een persoon van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 23 januari 2026 bevestigd.
In deze procedure stond de rechtmatigheid van de bewaring sinds dat moment centraal. Eiser betoogde dat er onvoldoende zicht is op uitzetting naar Algerije, omdat de Algerijnse autoriteiten sinds 4 november 2025 niet inhoudelijk hebben gereageerd op een verzoek om een laissez-passer. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld door niet op dossierniveau te rappelleren.
De rechtbank oordeelde dat er nog steeds zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door een schriftelijke rappel op 29 januari 2026 en een vertrekgesprek met eiser op 6 februari 2026. Ook is vastgesteld dat eiser niet bereidwillig is om medewerking te verlenen aan het uitzettingstraject. De rechtbank zag geen reden om een lichter middel toe te passen en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.