ECLI:NL:RBDHA:2026:3643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL24.8420
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen ingetrokken terugkeerbesluit tijdelijke bescherming

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam en facultatieve tijdelijke bescherming ontving, stelde beroep in tegen de beëindiging van deze bescherming en een terugkeerbesluit van de minister. De minister trok het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 op 30 september 2025 in. Ondanks dat eiser zijn beroep handhaafde, oordeelde de rechtbank dat hij geen procesbelang meer had omdat het besluit was ingetrokken.

De rechtbank overwoog dat het enkel handhaven van het beroep vanwege een mogelijke toekomstige heruitgifte van een terugkeerbesluit onvoldoende is voor ontvankelijkheid. De rechtbank sloot het onderzoek zonder zitting en wees het beroep af als niet-ontvankelijk. Wel werd eiser een proceskostenvergoeding van € 934 toegekend.

De zaak betrof complexe vragen over de toepassing van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het EU-uitvoeringsbesluit, waarbij het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële uitspraken deden over de beëindiging en intrekking van tijdelijke bescherming. De rechtbank volgde deze jurisprudentie en bevestigde dat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 rechtsgevolg had verloren.

Uitkomst: Het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van het terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroepsprocedure, omdat het besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld is ingetrokken. Wel krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 7 februari 2024 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 5 maart 2024. Op 7 februari 2024 is eiser in beroep gegaan tegen het besluit van 7 februari 2024.
2.1.
De minister heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 op 30 september 2025 ingetrokken. Eiser heeft de rechtbank op 21 oktober 2025 laten weten zijn beroep te handhaven.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Nigeria. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [3] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 15 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van
15 augustus 2023 bekendgemaakt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 [4] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op
4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep ingetrokken.
3.2.
De minister heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
3.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [5] en 25 april 2024 [6] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van
19 december 2024 (arrest Kaduna). [7] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [8] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [9] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [10]
3.4.
Bij brief van 30 september 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken.
Procesbelang
4. Eiser handhaaft zijn beroep tegen de ingetrokken beschikking van 7 februari 2024, omdat volgens eiser de kans bestaat dat de minister binnen afzienbare termijn een nieuw terugkeerbesluit uitbrengt dat (mogelijk) het oude terugkeerbesluit vervangt, waardoor dit op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden meegenomen tijdens de lopende beroepsprocedure.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De minister heeft het prematuur genomen besluit van
7 februari 2024, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het enkel handhaven van een beroep, omdat het mogelijk is dat de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt en dit op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb kan worden meegenomen tijdens de lopende beroepsprocedure, is daartoe onvoldoende. Dit is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis waar de rechtbank geen rekening mee kan houden. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934, bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, met een waarde per punt van
€ 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
4.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
6.ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
7.HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
9.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
10.Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.