In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 2 maart 2024. De rechtbank had in een eerdere uitspraak de minister een beslistermijn van zestien weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn beslist.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gelet op de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden voor de behandeling van de aanvraag, wordt een kortere beslistermijn passend geacht. De minister krijgt nu acht weken de tijd om alsnog een besluit te nemen, ingaande de dag na deze uitspraak.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000, bedoeld als prikkel voor de minister om tijdig te beslissen. De dwangsom vangt aan na afloop van de eerder opgelegde dwangsom, namelijk vanaf 14 juni 2026.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50, rekening houdend met een wegingsfactor vanwege de beperkte omvang van het vervolgberoep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.