De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beoordeeld. De maatregel was reeds eerder rechtmatig bevonden tot 24 december 2025, waarna de rechtbank de periode van 24 december 2025 tot 9 februari 2026 heeft getoetst. Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije was, mede omdat de laissez-passer aanvraag nog in behandeling was en er geen duidelijkheid was over presentatie bij het consulaat. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn wordt aangenomen en dat de lopende aanvraag en het ontbreken van een weigering door Algerijnse autoriteiten dit niet tegenspreken.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, omdat geen aanvullend onderzoek bij Marokkaanse autoriteiten was verricht ondanks de vermeende dubbele nationaliteit van eiser. De rechtbank vond dat verweerder voldoende inspanningen had geleverd, waaronder meerdere rappels en vertrekgesprekken. Daarnaast stelde eiser dat de bewaring onevenredig zwaar was door medische klachten en psychische belasting, maar dit was onvoldoende onderbouwd en de rechtbank verwees naar de interne klachtenmogelijkheden in het detentiecentrum.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit, waarbij zij oordeelde dat geen sprake was van strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.