ECLI:NL:RBDHA:2026:3421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7424
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling uit Algerije ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 29 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting en onderzocht de ontwikkelingen sinds het vorige onderzoek op 29 december 2025.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzettingshandelingen, dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije, en dat zijn medische situatie verslechterd was. Ook stelde hij dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door vertrekgesprekken en schriftelijke rappels. Er is geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, mede omdat eiser geen medewerking verleent. Het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet, mede gelet op eerdere uitspraken en medewerking van Algerijnse autoriteiten. De medische situatie van eiser rechtvaardigt geen ander oordeel, aangezien geen detentieongeschiktheid is vastgesteld en adequate medische zorg beschikbaar is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7424

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 31 december 2025. [3] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 29 december 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld door de minister. De uitzettingshandelingen zijn onvoldoende, gelet op het tijdsverloop sinds het opleggen van de maatregel. Er is enkel schriftelijk gerappelleerd, en er is geen telefonische navraag gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Ook stelt eiser dat er geen zicht is op uitzetting.
3.1.
Eiser stelt daarnaast dat zijn medische situatie is verslechterd sinds de bewaring. Hij heeft moeite met slapen en concentratieproblemen. Hij probeert al weken een arts te spreken maar zonder resultaat. Tot slot stelt eiser dat een lichter middel als een meldplicht voor de hand ligt. Hij werkt de afgelopen tijd mee en zal zich beschikbaar houden.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Anders dan eiser stelt, blijkt uit de recente vertrekgesprekken dat eiser geen medewerking verleent.
4.1.
Ook ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije niet. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling [4] van 6 mei 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De Algerijnse autoriteiten hebben bovendien aangegeven een lp aan eiser te willen verstrekken. Dat de minister op dit moment gehouden is om extra handelingen te verrichten, zoals telefonisch contact opnemen, volgt de rechtbank daarom niet.
4.2.
Ten aanzien van de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is of de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is. Zoals ook is overwogen in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak, is niet gebleken dat de medische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is en dat eiser zich bij klachten over de medische dienst dient te wenden tot de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel.
4.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer NL25.61736.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
6.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).