ECLI:NL:RBDHA:2026:3249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
11814551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 BWArt. 2:14 lid 1 BWArt. 2:15 lid 1 BWArt. 2:48 lid 2 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van besluiten VvE over jaarstukken, kosten en declaraties wegens gebrekkige kascommissie en onredelijkheid

De procedure betreft een geschil tussen meerdere appartementseigenaren en de Vereniging van Eigenaars (VvE) over besluiten genomen tijdens de algemene ledenvergadering van 30 juni 2025. Verzoekers vorderen vernietiging van diverse besluiten, waaronder de vaststelling van de jaarstukken 2024, het verlenen van décharge aan het bestuur, benoemingen in de kascommissie, een vaststellingsovereenkomst met een aannemer, en doorbelasting van kosten.

De kantonrechter oordeelt dat het besluit tot vaststelling van de jaarstukken en het verlenen van décharge aan het bestuur gebrekkig tot stand is gekomen vanwege het ontbreken van een geldige kascommissie in de relevante periode. Dit leidt tot vernietiging van dat besluit. Andere besluiten, zoals de benoeming van kascommissieleden en de vaststellingsovereenkomst met de aannemer, worden in stand gelaten omdat verzoekers onvoldoende onderbouwing bieden voor vernietiging.

Daarnaast worden besluiten vernietigd die zien op de doorbelasting van kosten voor een extra vergadering en advocaatkosten voor juridisch advies over een bandopname, omdat deze in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Verzoekers krijgen overwegend gelijk en de VvE wordt veroordeeld in de proceskosten. Verzoeken tot aanstelling van een registeraccountant of VvE-jurist en het verbod op besluiten worden afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

Uitkomst: De kantonrechter vernietigt enkele besluiten van de VvE wegens strijd met redelijkheid en billijkheid en gebrekkige kascommissie, wijst andere verzoeken af en veroordeelt de VvE in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
EiV/DN/cd
Rep.nr.: 11814551 RP VERZ 25-50547
23 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoekers sub 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

hierna: [verzoekers sub 1] ,
2. [verzoekers sub 2],
3. [verzoekers sub 3],
beiden wonende te [woonplaats] ( [land] ),
hierna: [verzoekers sub 2 en 3] ,
verzoekers,
gemachtigde: mr. P. Thole,
tegen
Vereniging [verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verweerster,
hierna: de VvE,
gemachtigde: mr. H.J.G. Braakhuis.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 29 juli 2025 met producties 1 t/m 15;
  • de namens verzoekers nagezonden producties 16 t/m 32;
  • het verweerschrift met producties 1 t/m 9.
1.2.
Op 8 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan de zijde van verzoekers zijn [naam 1] , [naam 2] , [verzoekers sub 2] en [verzoekers sub 3] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens de VvE zijn [naam 3] (kascommissie), [naam 4] (bestuurssecretaris) en [naam 5] (bestuursvoorzitter) verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Als belanghebbenden zijn verschenen de bewoners van [straatnaam] nummers [huisnummers] . Namens verzoekers zijn pleitaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder op de zitting naar voren is gebracht.
1.3.
Vervolgens is de datum van deze beschikking (nader) bepaald op vandaag.

2.Waar gaat deze procedure over?

2.1.
Het complex is gesplitst in zes hoofdappartementsrechten met index A-1 tot en met A-6. Index A-3 is ondergesplitst in 39 onder-appartementen. In de akte van ondersplitsing is het splitsingsreglement opgenomen (volgens Modelreglement 2006) en is de VvE opgericht.
[verzoekers sub 1] is eigenaar van het appartementsrecht plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats] en [verzoekers sub 2 en 3] zijn eigenaar van het appartementsrecht plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats] . Zij zijn van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Op 30 juni 2025 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is besloten om, voor zover in deze procedure van belang:
  • de jaarstukken over het jaar 2024 vast te stellen en het bestuur décharge te verlenen (agendapunt 4c),
  • de heren [naam 3] en [naam 6] te (her)benoemen als leden van de kascommissie (agendapunt 4e),
  • het bestuur te machtigen om namens de VvE de vaststellingsovereenkomst met aannemer [bedrijfsnaam 1] te sluiten (agendapunt 6),
  • de door [naam 2] (namens [verzoekers sub 1] ) bij de VvE ingediende declaraties met betrekking tot advocaatkosten niet te vergoeden (agendapunt 10),
  • de kosten van € 1.470 voor de extra vergadering van 27 maart 2025 door te belasten aan [naam 2] en advocaatkosten van € 1.800 voor advies over het verstrekken van een bandopname van de vergadering van 28 oktober 2024 door te belasten aan [verzoekers sub 2 en 3] (agendapunt 11).
2.3.
Verzoekers verzoeken de kantonrechter om met veroordeling van de VvE in de (werkelijke) proceskosten genoemde besluiten voor zover deze betrekking hebben op:
-
de kascommissie (agendapunt 4),
- de financiële verslaglegging en begroting (agendapunt 4),
- de VSO met [bedrijfsnaam 1] (agendapunt 6/7),
- de declaraties van AKD (agendapunt 10),
- de doorbelasting van extra kosten aan verzoekers (agendapunt 11), en
- het uitblijven van actie inzake het HVB/AKD-traject,
te vernietigen, dan wel nietig te verklaren en verder, al dan niet bij wijze van voorlopige voorziening:
een onafhankelijke registeraccountant aan te stellen die de financiële situatie van de VvE onderzoekt in relatie tot Hoofdsplitsing 1 en haar ondersplitsingen,
een VvE-jurist of mediator aan te wijzen die toeziet op correct juridisch en bestuurlijk handelen binnen de VvE,
het bestuur te verbieden verdere besluiten te nemen over de agendapunten 6 en 7 (ter zake de VSO met [bedrijfsnaam 1] ) totdat het inhoudelijk onderzoek is afgerond en het bestuur te verbieden een VSO ter zake [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 1] te sluiten, althans daaraan uitvoering te geven,
de VvE te gebieden de RvA-procedure aan te houden totdat een duidelijk standpunt is bepaald.
2.4.
De VvE concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers, dan wel afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van verzoekers in de (werkelijke) proceskosten van de VvE. Op het verweer wordt in de beoordeling ingegaan.

3.Beoordeling

Het juridisch kader
3.1.
Voordat afzonderlijk wordt ingegaan op de verzoeken, zal de kantonrechter het juridisch kader schetsen waarbinnen de verzoeken moeten worden beoordeeld.
3.2.
Op grond van artikel 5:130 BW Pro kan een lid van de VvE binnen een maand na de dag waarop deze kennis heeft genomen van een besluit van de algemene ledenvergadering bij de kantonrechter verzoeken om vernietiging van dat besluit. Volgens vaste rechtspraak kan in dezelfde procedure daarnaast aan de kantonrechter verzocht worden om de nietigheid van het besluit vast te stellen. Een besluit is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro
nietigindien het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW Pro is een besluit
vernietigbaarindien het tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen (sub a), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (sub b) of in strijd is met een reglement (sub c).
3.3.
Verzoekers stellen zich in deze procedure (hoofdzakelijk) op het standpunt dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter stelt in dat kader voorop dat de algemene ledenvergadering van de VvE een democratisch orgaan is. Het is aan de democratie van de ledenvergadering overgelaten om een voorgenomen besluit inhoudelijk te beoordelen en alternatieven af te wegen. De kantonrechter kan een besluit van de ledenvergadering daarom niet vernietigen op de (enkele) grond dat het besluit mogelijk financieel nadelig is voor de VvE, of omdat mogelijk een beter besluit voorhanden is. De kantonrechter moet – met terughoudendheid – beoordelen of de vergadering bij afweging van alle belangen van leden die door het besluit geraakt worden in redelijkheid en billijkheid tot het genomen besluit heeft kunnen komen. Dat is een zogeheten ‘marginale’ toets.
Het besluit over de jaarstukken van 2024 en décharge van het bestuur wordt vernietigd
3.4.
Volgens verzoekers moet het besluit tot vaststelling van de jaarstukken over 2024 en aan het bestuur décharge te verlenen worden vernietigd dan wel nietig worden verklaard omdat er geen geldige kascommissie was. De kascommissie bestaat namelijk sinds 27 maart 2025 uit twee personen, waarvan één lid, [naam 4] , tevens deel uitmaakt van het bestuur. De VvE heeft daartegen aangevoerd dat [naam 4] bij haar benoeming tot bestuurslid op 27 maart 2025 uit de kascommissie is getreden en er dus geen sprake is geweest van een verboden dubbelfunctie.
3.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 58.2. van de Akte van Ondersplitsing bepaalt, voor zover relevant:
Ontbreekt een raad van commissarissen, dan benoemt de vergadering een kascommissie, bestaande uit ten minste twee leden. Het lidmaatschap van de commissie is niet verenigbaar met de functie van bestuurder en die van voorzitter van de vergadering. De leden van de kascommissie onderzoeken de jaarrekening en brengen aan de vergadering verslag van hun bevindingen uit.[…].
Dezelfde regel is ook vastgelegd in artikel 2:48 lid 2 BW Pro.
3.6.
Zelfs als de kantonrechter de VvE in de stelling volgt dat [naam 4] vanwege haar benoeming als lid van het bestuur op 27 maart 2025 als kascommissielid is afgetreden, staat daarmee vast dat de kascommissie in de periode vanaf 27 maart 2025 tot de benoeming van [naam 6] in de vergadering van 30 juni 2025 heeft bestaan uit één persoon. Dat is in strijd met de hiervoor aangehaalde artikelen. De VvE betwist niet dat het advies van de kascommissie over de jaarstukken van 2024 in die periode is uitgebracht, namelijk op 13 mei 2025 (en op de vergadering van 30 juni 2025 mondeling is toegelicht). Vanwege het ontbreken van een geldig uitgebracht advies van de kascommissie is het besluit om de jaarstukken over 2024 definitief vast te stellen en het bestuur décharge te verlenen op een gebrekkige wijze tot stand gekomen.
3.7.
Van nietigheid is sprake bij een fundamenteel totstandkomingsgebrek, van vernietigbaarheid als het gebrek niet fundamenteel is. De kantonrechter oordeelt in lijn met eerdere rechtspraak dat hier sprake is van een gebrek dat niet zo fundamenteel is dat de besluiten nietig zijn. [1] De kantonrechter vernietigt daarom het besluit waarin de jaarrekening is vastgesteld en aan het bestuur décharge is verleend.
3.8.
Verzoekers stellen nog dat het ontbreken van een geldige kascommissie tevens tot gevolg heeft volgt dat alle andere besluiten van financiële aard die op de vergadering van 30 juni 2025 zijn genomen eveneens gebrekkig tot stand zijn gekomen. Dat standpunt is niet juist. Op grond van artikel 58 van Pro de splitsingsakte en artikel 2:48 BW Pro is het de taak van de kascommissie om de jaarrekening over een boekjaar te onderzoeken en daarover advies uit te brengen aan de algemene ledenvergadering. De kascommissie heeft niet tot taak inhoudelijk te adviseren over andere zaken ook niet indien het zaken betreft van financiële aard.
Het besluit tot benoeming van [naam 3] en [naam 6] blijft in stand
3.9.
Verzoekers hebben verzocht om de benoeming van [naam 3] en [naam 6] tot kascommissieleden te vernietigen. Met betrekking tot [naam 3] voeren verzoekers aan dat [naam 3] in strijd met het splitsingsreglement al meer dan twee jaren onafgebroken lid is van de kascommissie. De benoeming van [naam 6] zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid omdat dat hij verzoekers onterecht zou hebben beschuldigd van “
false accountingop het randje van fraude” in de periode dat verzoekers in het bestuur van de VvE zaten. De VvE heeft op haar beurt aangevoerd dat in het splitsingsreglement geen maximale termijn wordt bepaald voor een lid van de kascommissie. Bovendien is [naam 3] eerst in de vergadering van 8 januari 2024 benoemd en was dus tijdens de vergadering van 30 juni 2025 nog geen 18 maanden lid. De VvE betwist verder dat [naam 6] een dergelijke beschuldiging zou hebben geuit.
3.10.
De kantonrechter stelt vast dat uit artikel 2:48 BW Pro en artikel 58 van Pro de splitsingsakte niet volgt niet dat het verboden is voor een lid om meer dan twee jaren onafgebroken deel te nemen aan de kascommissie. Verzoekers stellen dat deze regel volgt uit het toepasselijke ‘Modelreglement 2006’, maar hebben niet benoemd in welk artikel van dit reglement dat zou staan.
Het is niet aan de kantonrechter om in de splitsingsakte naar een feitelijke grondslag opzoek te gaan. Of [naam 3] langer dan twee onafgebroken benoemd is geweest als kascommissielid behoeft daarom geen inhoudelijke bespreking.
3.11.
Ten aanzien van de benoeming van [naam 6] overweegt de kantonrechter dat, wat er ook zij van de opmerkingen die [naam 6] zou hebben gemaakt, verzoekers onvoldoende hebben onderbouwd waarom daaruit volgt dat de benoeming van [naam 6] als kascommissielid over het jaar 2025 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De enkele omstandigheid, voor zover al juist, dat [naam 6] tegenover verzoekers (al dan niet onterechte) kritiek heeft geuit over hun handelen als bestuursleden in 2023 is voor het uitvoeren van zijn taak irrelevant. Te meer omdat verzoekers in 2025 geen deel uitmaakte van het bestuur. Verzoekers hebben niet toegelicht waarom [naam 6] anderszins niet in staat zou zijn om een objectief oordeel te kunnen geven over de jaarstukken van 2025. Het verzoek om zijn benoeming te vernietigen wordt daarom afgewezen.
Het besluit over de vaststellingsovereenkomst met [bedrijfsnaam 1] blijft in stand
3.12.
De kantonrechter wijst ook het verzoek af tot vernietiging van het besluit om het bestuur te machtigen de concept VSO met [bedrijfsnaam 1] te tekenen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.13.
De kantonrechter begrijpt dat verzoekers zich op het standpunt stellen dat de voorbereiding en totstandkoming van het besluit niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, waardoor een verkeerde beeldvorming is ontstaan en de uitkomst van de bestemming is beïnvloed. Volgens verzoekers is het besluit ook nadelig voor de VvE omdat het overeengekomen schikkingsbedrag niet in verhouding staat tot de schade die de VvE heeft geleden. Verzoekers hebben daartoe onder meer aangevoerd dat pas op 21 juni 2025 de concept VSO met de leden is gedeeld, de leden niet voldoende zijn geïnformeerd over de kansrijkheid van de vorderingen in de arbitrale procedure, het besluit om de concept VSO met [bedrijfsnaam 1] te sluiten op meerdere punten is gebaseerd op onjuiste aannames, diverse gemeenschappelijke en individuele klachten ten onrechte worden uitgesloten of ontbreken, geen inzicht is gegeven in de herkomst en omvang van de schadebedragen en het bedrag van € 50.560 in de concept VSO niet is onderbouwd.
3.14.
De kantonrechter is met de VvE van oordeel dat het betreffende besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarvoor is allereerst redengevend dat verzoekers niet hebben weersproken dat het geschil met [bedrijfsnaam 1] al enige tijd loopt en op verschillende momenten onderwerp van gesprek c.q. besluitvorming is geweest in een vergadering. Dat de leden van de vergadering niet op de hoogte zijn gehouden van de procedure en de slagingskans daarvan blijkt nergens uit. Tegen deze achtergrond kan dan ook bezwaarlijk worden aangevoerd dat de concept VSO te kort voor de vergadering (negen dagen) aan de leden is toegestuurd. Bovendien hebben verzoekers op 27 juni 2025 een uitgebreide schriftelijke reactie op de concept VSO rondgestuurd aan alle leden. Daarmee hebben zij hun inhoudelijke standpunt, zelfs al voorafgaand aan de ledenvergadering, kenbaar kunnen maken. Ook de overige leden hebben daarvan kennis kunnen nemen. Uit de notulen blijkt dat tijdens de vergadering mondeling de totstandkoming van VSO nog eens is toegelicht. Daarbij is aangegeven waarom de voorkeur wordt gegeven aan een VSO met een bedrag van € 50.560 in plaats van het voortzetten van de procedure bij de Raad van Arbitrage.
Verzoekers, die als voormalig bestuursleden persoonlijk betrokken zijn geweest bij het voeren van die procedure, zijn, zoals blijkt uit hun notitie aan de leden van 27 juni 2025, goed op de hoogte van de geschilpunten die spelen tussen de VvE en [bedrijfsnaam 1] . Verzoekers hebben zowel met hun notitie van 27 juni 2025 alsmede met hun bijdrage op de vergadering van 30 juni 2025 voldoende gelegenheid gehad om de overige leden te overtuigen van de (in hun ogen) onjuistheid en/of onvolledigheid van de door het bestuur gedeelde informatie en de ontoereikendheid van het bedrag van € 50.560. Dat verzoekers c.q. de leden onvoldoende kans hebben gehad om een weloverwogen besluit te nemen is dan ook door verzoekers niet dan wel onvoldoende onderbouwd.
3.15.
Dat de concept VSO is gebaseerd op onjuiste aannames ten aanzien van de gebreken en de omvang van de schade hebben verzoekers, gelet op de gemotiveerde betwisting door de VvE, eveneens onvoldoende onderbouwd. De VvE heeft er terecht op gewezen dat voorafgaand aan de concept VSO met haar advocaat diverse gesprekken met [bedrijfsnaam 1] over de klachten en de bevindingen van de deskundigen zijn gevoerd en dat het standpunt van de VvE ten aanzien van sommige klachten niet houdbaar was. Bovendien zien verzoekers over het hoofd dat het besluit is beperkt tot de gebreken in en aan de gemeenschappelijke zaken. De VvE heeft onbetwist gesteld dat het verzoekers (en andere leden) vrijstaat om met betrekking tot klachten over hun privégedeelten niet akkoord te gaan met de concept VSO en daarover desgewenst zelf een procedure tegen [bedrijfsnaam 1] te beginnen. [verzoekers sub 2 en 3] hebben dat (eerder) ook gedaan. De kantonrechter ziet in hetgeen verzoekers op dit punt over de gestelde klachten c.q. gebreken hebben aangevoerd, mede gelet op de marginale toetsing, dan ook onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de VvE op basis van onjuiste aannames heeft ingestemd met het besluit om het bestuur te machtigen om tot ondertekening van de concept VSO over te gaan.
3.16.
Ten slotte overweegt de kantonrechter nog dat in de concept VSO inderdaad een aantal onjuistheden staan, bijvoorbeeld het ontbreken van een aantal namen van leden. De VvE heeft aangegeven dat sprake is van een concept en dat deze punten in de definitieve versie zullen worden aangepast. Verzoekers hebben echter niet onderbouwd waarom deze tekstuele onjuistheden tot vernietiging van het besluit moeten leiden. De conclusie is dus dat het besluit in stand blijft.
Het besluit over de door [verzoekers sub 1] ingediende declaraties voor advocaatkosten blijft in stand
3.17.
Verder wordt vernietiging verzocht van het besluit om door [verzoekers sub 1] ingediende declaraties voor advocaatkosten niet te vergoeden. Verzoekers stellen dat [verzoekers sub 1] destijds als bestuurslid namens de VvE opdracht heeft gegeven aan AKD om de VvE bij te staan in een kortgedingprocedure die een lid had aangespannen in een geschil over de aanleg van een dakterras. De kosten van AKD zijn volgens verzoekers namens de VvE gemaakt en dienen daarom door de VvE te worden vergoed. De VvE betwist dat deze kosten namens de VvE zijn gemaakt en stelt zich op het standpunt dat deze betrekking hebben op een opdracht die [verzoekers sub 1] op persoonlijke titel aan AKD heeft verstrekt. De kantonrechter overweegt als volgt.
3.18.
Vast staat dat de facturen van AKD zijn gericht aan [verzoekers sub 1] . Verzoekers hebben er weliswaar op gewezen dat uit de onderwerpregel blijkt dat de facturen betrekking hebben op het ‘
[project]’ en op een geschil omtrent een dakterras, maar daaruit volgt niet dat de opdracht aan AKD namens (of ten behoeve van) de VvE is verstrekt.
Verzoekers hebben nog aangevoerd dat het vanwege de spoed van een kortgedingprocedure niet mogelijk was om de opdracht door de VvE te laten verstrekken, omdat niet tijdig toestemming kon worden verkregen. De VvE betwist dat zij in een kortgeding als partij is gedagvaard.
3.19.
Verzoekers hebben tot op heden geen afschrift van de betreffende dagvaarding getoond. Bovendien blijkt ook uit de facturen niet dat deze betrekking hebben op juridische bijstand in een kortgedingprocedure. Aangezien verzoekers noch ten overstaan van de VvE, noch in deze procedure hebben onderbouwd dat de gefactureerde kosten ten behoeve van de VvE zijn gemaakt, is het besluit van de leden om deze kosten niet aan [verzoekers sub 1] te vergoeden (en dus ten laste van de VvE te brengen) niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit wordt daarom in stand gelaten.
Het besluit over de kosten voor de extra vergadering wordt vernietigd
3.20.
Met betrekking tot het besluit om de kosten voor een extra vergadering door te belasten merkt de kantonrechter allereerst het volgende op. Uit de conceptnotulen van de vergadering van 30 juni 2025 blijkt dat is besloten om de extra kosten voor de vergadering van
27 maart 2025door te belasten aan
de heer [naam 2](de bestuurder van [verzoekers sub 1] ). [verzoekers sub 2 en 3] heeft daarmee geen zelfstandig belang bij vernietiging van dit besluit.
3.21.
In het verzoekschrift wordt verzocht om vernietiging van het besluit om de kosten voor een extra vergadering op
17 februari 2025door te belasten aan
[verzoekers sub 1]. Uit de stellingen van partijen en uit hetgeen besproken is op de zitting volgt dat niet in geschil is dat een extra ledenvergadering heeft plaatsgevonden als gevolg van de beslissing van de kantonrechter tot vernietiging van de besluiten genomen op de vergadering van 28 oktober 2024. Ook is niet in geschil dat de vergadering heeft bedoeld te besluiten de kosten voor die extra vergadering aan [verzoekers sub 1] en dus niet aan
de heer [naam 2]door te belasten.
3.22.
De kantonrechter stelt voorop dat de kosten voor het organiseren van een ledenvergadering in beginsel voor rekening komen van de VvE (en daarmee voor alle leden gezamenlijk). Het besluit om de kosten voor een ledenvergadering volledig te verhalen op één lid zal daarom al snel in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, tenzij daarvoor een goede reden bestaat. De VvE stelt dat het in dit geval gerechtvaardigd is de kosten op [verzoekers sub 1] te verhalen. De besluiten van 28 oktober 2024 zijn door de kantonrechter vernietigd omdat [verzoekers sub 1] met succes heeft aangevoerd dat de oproep voor de vergadering te laat was verstuurd. Volgens de VvE heeft [verzoekers sub 1] geen inhoudelijk bezwaar aangevoerd tegen de besluiten van 28 oktober 2024. De besluiten zijn dus door de kantonrechter vernietigd terwijl [verzoekers sub 1] daarbij geen (materieel) belang had in de zin van artikel 3:303 BW Pro. [verzoekers sub 1] is vervolgens op de gehouden extra vergadering ook niet verschenen om alsnog een inhoudelijk standpunt over de vernietigde besluiten naar voren te brengen.
3.23.
De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken dat de VvE in hoger beroep is gegaan van de uitspraak waarin de besluiten van 28 oktober 2024 zijn vernietigd. De kantonrechter gaat daarom uit van dit oordeel. Dit betekent dat de besluiten van 28 oktober 2024 zijn vernietigd en de VvE de vernietigde besluiten opnieuw ter besluitvorming aan de leden heeft moeten voorleggen. Dat [verzoekers sub 1] in materiële zin geen belang had bij de vernietiging van de bewuste besluiten, kan daarom bezwaarlijk als argument dienen om de kosten voor deze vergadering op [verzoekers sub 1] te verhalen.
3.24.
De kantonrechter acht het daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid om de kosten voor die extra vergadering voor rekening van [verzoekers sub 1] te laten komen. Het besluit wordt daarom vernietigd.
Het besluit over de kosten voor de bandopname van de vergadering van 28 oktober 2024 wordt vernietigd
3.25.
Verzoekers willen daarnaast dat de kantonrechter het besluit vernietigt om de kosten voor juridisch advies over het verstrekken van een bandopname van de vergadering van 28 oktober 2024 op [verzoekers sub 2 en 3] te verhalen. Ook hier overweegt de kantonrechter allereerst dat [verzoekers sub 1] geen zelfstandig belang heeft bij vernietiging van he besluit.
3.26.
De VvE stelt dat dit besluit is genomen omdat [verzoekers sub 2 en 3] een sommatie hadden laten sturen naar de VvE waarin werd geëist dat deze bandopname ter beschikking zou worden gesteld. Volgens de VvE heeft zij vervolgens juridisch advies ingewonnen, waaruit is gebleken dat de VvE die bandopname niet mocht verstrekken vanwege de privacy van de betrokken leden. De VvE stelt zich op het standpunt dat [verzoekers sub 2 en 3] zijn zich tegenover de VvE onredelijk en onbillijk hebben gedragen door de VvE op juridische kosten te jagen met een onterechte sommatie.
3.27.
De kantonrechter stelt voorop dat uitgangspunt is dat de kosten van de VvE voor juridische bijstand worden gedragen door alle leden gezamenlijk (een en ander afhankelijk van hun breukdeel). Het verhalen van advocaatkosten op een individueel lid is dan ook snel in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, tenzij daarvoor een goede reden bestaat. De kantonrechter is van oordeel dat van zodanige reden geen sprake is.
3.28.
Anders dan de VvE heeft aangevoerd, is de omstandigheid dat de door het bestuur van de VvE ingeschakelde advocaat tot de conclusie kwam dat de VvE de bandopnames niet mocht verstrekken (de kantonrechter begrijpt dat de VvE daarmee bedoelt dat de sommatie onterecht was), geen reden om de gemaakte advocaatkosten op [verzoekers sub 2 en 3] te verhalen. Daarmee staat tussen partijen niet vast dat de sommatie van [verzoekers sub 2 en 3] een juridische grondslag ontbeerde. Daarbij komt dat op het bestuur geen verplichting rustte om zich op juridisch te laten bijstaan. Niet valt in te staan waarom het bestuur niet had kunnen volstaan met een eigenhanig opgestelde reactie. De sommatiebrief die is verstuurd door de advocaat van [verzoekers sub 2 en 3] en de reactie van de VvE daarop zijn in deze procedure overigens niet in het geding gebracht. Dat [verzoekers sub 2 en 3] de VvE constant met juridisch zinloze sommaties bestookt, is evenmin gebleken.
3.29.
Gelet op het uitgangspunt dat de kosten van de VvE voor juridische bijstand worden gedragen door alle leden gezamenlijk, is het besluit van de VvE om de advocaatkosten die de VvE heeft moeten maken bij [verzoekers sub 2 en 3] in rekening te brengen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat besluit wordt daarom vernietigd.
Het HVG/AKD-traject en de overige verzoeken
3.30.
Verzoekers hebben vernietiging verzocht van de besluiten die ‘betrekking hebben op het uitblijven van actie inzake het HVG/AKD traject’. Verzoekers hebben op de zitting erkend dat tijdens de vergadering van 30 juni 2025 geen besluit is genomen over het ‘HVG/AKD traject’. Alleen al daarom wordt dit verzoek afgewezen.
3.31.
Tot slot wordt verzocht dat de kantonrechter, al dan niet bij wijze van voorlopige voorziening, een registeraccount en VvE-jurist aanstelt, het bestuur verbiedt om nog besluiten te nemen over een VSO met [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] en de VvE gebiedt de procedure bij de Raad van Arbitrage aan te houden. Met betrekking tot deze verzoeken overweegt de kantonrechter ten eerste dat een voorlopige voorziening niet meer aan de orde kan zijn, omdat met deze beschikking een einduitspraak in deze procedure wordt gedaan. Ten tweede geldt dat de VvE terecht heeft aangevoerd dat in een procedure op grond van artikel 5:130 BW Pro slechts kan worden verzocht om besluiten te vernietigen of de nietigheid daarvan vast te stellen. Daaronder valt niet een verzoek tot het aanstellen van een registeraccountant of VvE-jurist of tot het ver- of gebieden van bepaalde besluiten van de VvE. Voor de kantonrechter is ook onduidelijk welke andere (wettelijke) grondslag er volgens verzoekers binnen deze procedure bestaan voor het toewijzen van deze verzoeken. Verzoekers hebben daar in het verzoekschrift ook niets over gesteld.
Proceskosten
3.32.
Verzoekers krijgen in deze procedure overwegend gelijk. De VvE moet daarom de kosten van deze procedure betalen. In dit oordeel ligt besloten dat het verzoek tot vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt afgewezen. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten bestaat geen grond. Dat kan immers pas aan de orde zijn als sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Verzoekers hebben daarvoor onvoldoende gesteld, nog daargelaten dat een dergelijke situatie zich in het licht van het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot c.q. het voeren van verweer voor de rechter niet snel zal voordoen.
3.33.
De kosten van deze procedure worden als volgt begroot:
- griffierecht € 135,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten à € 288,00)
- nakosten
€ 144,00(plus de kosten van betekening
zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 855,00

4.Beslissing

De kantonrechter:
4.1.
vernietigt het besluit van de algemene ledenvergadering van de VvE van 30 juni 2025 om de jaarstukken over het boekjaar 2024 vast te stellen en het bestuur over dat jaar te dechargeren voor het gevoerde beleid (onder 4c van de notulen),
4.2.
vernietigt het besluit van de algemene ledenvergadering van de VvE van 30 juni 2025 om de kosten voor de extra vergadering naar aanleiding van de vernietiging van de besluiten van 28 oktober 2024 door te belasten aan [verzoekers sub 1] (onder 11 van de notulen),
4.3.
vernietigt het besluit van de algemene ledenvergadering van de VvE van 30 juni 2025 om de kosten van RTS Advocaten inzake de advisering over de bandopname door te belasten aan [verzoekers sub 2 en 3] (onder 11 van de notulen),
4.4.
veroordeelt de VvE in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoekers tot op heden begroot op € 855,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en vermeerderd met de kosten van betekening van deze beschikking indien de VvE niet tijdig betaald en deze beschikking wordt betekend,
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2026.

Voetnoten