ECLI:NL:RBDHA:2026:3192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694682 / JE RK 25-1950
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 RvArt. 1:255 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling van minderjarige wegens onvoldoende ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege zorgen over zijn ontwikkeling en de complexe relatie tussen de moeder en de biologisch vader. De Raad stelde dat de minderjarige onvoldoende draagkracht heeft om het contact met de biologisch vader te herstellen en dat intensieve hulpverlening noodzakelijk is.

De moeder, de juridisch vader en de biologisch vader namen deel aan de procedure. De moeder voerde verweer tegen het verzoek en stelde dat de minderjarige zich goed ontwikkelt en dat een ondertoezichtstelling disproportioneel en contraproductief zou zijn. De biologisch vader steunde het verzoek en benadrukte zijn zorgen over de thuissituatie en het ontbreken van contact met de minderjarige.

De kinderrechter oordeelde dat de biologisch vader als belanghebbende moet worden aangemerkt vanwege zijn betrokkenheid en rechten in de zaak. Echter, de kinderrechter concludeerde dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. De minderjarige vertoont geen kindsignalen van ontwikkelingsbedreiging, ontwikkelt zich goed en heeft het naar zijn zin bij de moeder en juridisch vader.

Daarnaast achtte de kinderrechter de maatregel in de praktijk niet uitvoerbaar vanwege de langdurige en ernstige verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de biologisch vader. De rechtbank wees het verzoek tot ondertoezichtstelling af en benadrukte het belang van rust en ruimte voor de minderjarige om het contact met de biologisch vader op een onbelaste wijze te kunnen hervatten.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens het ontbreken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en de onuitvoerbaarheid van de maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694682 / JE RK 25-1950
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist uit Den Haag,
[de juridische vader],
hierna te noemen: de juridisch vader,
wonende in [woonplaats] ,
[de biologische vader],
hierna te noemen: de biologisch vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.K.P.K. El Fadili uit Oegstgeest.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Hierbij waren de moeder, [naam 1] namens de Raad en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling aanwezig. De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 17 december 2025 de inhoudelijke behandeling van de zaak aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum, teneinde alle betrokkenen gezamenlijk te horen op zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift en het rapport met bijlagen van de Raad, ontvangen op 17 november 2025;
  • het e-mailbericht van de moeder van 3 december 2025;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder van 3 december 2025;
  • het e-mailbericht van de biologisch vader van 9 december 2025;
  • het bericht van de advocaat van de moeder van 11 december 2025;
  • het verweerschrift en zelfstandig verzoek van de moeder met producties A tot en met I van 12 december 2025;
  • de in het Nederlands vertaalde delen van het rapport van de Raad van 15 december 2025;
  • het bericht met producties 1 tot en met 4 van de advocaat van de biologisch vader van 13 januari 2026;
  • het bericht met producties 1 tot en met 10 van de advocaat van de moeder van 14 januari 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren is hervat op 19 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de juridisch vader;
  • de biologisch vader met mr. R.W.S. Nijman, advocaat te Den Haag, waarnemend voor mr. D.K.P.K. El Fadili, advocaat te Den Haag;
- [naam 3] namens de Raad;
- [naam 4] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft op 15 december 2025 een brief aan de kinderrechter geschreven. Daarnaast heeft hij hierover, voorafgaand aan de eerdere zitting van 17 december 2025, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder pleitnotities overgelegd. Deze worden aan het dossier toegevoegd. Daarnaast heeft de biologische vader pleitnotities overgelegd. Deze worden ook aan het dossier toegevoegd.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de juridisch vader zijn getrouwd.
2.2.
[de minderjarige] is erkend door de juridisch vader.
2.3.
De moeder en de juridisch vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
[de minderjarige] woont bij de moeder en de juridisch vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat weergegeven – als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij groeit op in een situatie waarin sprake is van een complexe ouderrelatie tussen de moeder en de biologisch vader. Ook zijn er zorgen in de gedragingen en in de interactie van de biologisch vader richting [de minderjarige] . Bij een incident in juli 2024 is het de biologisch vader niet gelukt zijn emoties te reguleren en heeft hij impulsief uitspraken gedaan dat de moeder dood moet. Tijdens een van de pogingen tot een herstelgesprek, die in het bijzijn van de bijzonder curator plaatsvond, werd gezien dat [de minderjarige] volledig in zichzelf keerde, mentaal niet aanwezig en erg overstuur was. Bij [de minderjarige] lijkt op dit moment geen draagkracht te zijn om het contact met de biologisch vader aan te gaan. Volgens de Raad komt [de minderjarige] , om bovenstaande redenen, onvoldoende toe aan zijn ontwikkeling. Hoewel de moeder belast is met het ouderlijk gezag, meent de Raad dat zowel de moeder als de biologisch vader hierin niet in staat zijn de keuzes te maken die in het belang van [de minderjarige] zijn. Het is dan ook belangrijk dat een jeugdbeschermer naast [de minderjarige] komt te staan, die rekening houdt met zijn belangen, behoeften en wensen en hiernaar handelt. De jeugdbeschermer die bij het gezin betrokken raakt, dient zeer ervaren en stevig in diens schoenen te staan. Dit, mede vanwege het risico dat de nadruk komt te liggen op de complexe ouderrelatie en daarmee [de minderjarige] uit het oog wordt verloren. Dit heeft de Raad ook ondervonden tijdens het raadsonderzoek waarin met name de biologische vader maar ook de moeder vele stukken hebben aangeleverd en de hulpverlening hebben betrokken bij incidenten tussen de moeder en de biologisch vader. De Raad is van mening dat er intensieve hulpverlening nodig is, waarbinnen vooral allereerst ingezet moet worden op rust en stabiliteit voor [de minderjarige] en waarbij de situatie tussen de moeder en de biologisch vader bij hem wordt weggehouden. Pas wanneer rust voor [de minderjarige] is gecreëerd, kan gekeken worden welke hulpverlening er voor hem nodig is. Op de zitting heeft de Raad hierbij aangevuld dat de ondertoezichtstelling uiteindelijk ook tot doel heeft om het contact tussen de biologisch vader en [de minderjarige] te herstellen en dat het nodig is dat de moeder en de biologische vader individuele hulpverlening aangaan. Verder heeft de Raad op de zitting naar voren gebracht dat het de vraag is of de maatregel van een ondertoezichtstelling, gelet op de ernstig verstoorde verstandhouding van de moeder en de biologisch vader, uitvoerbaar is.

4.De standpunten

Ten aanzien van de juridische positie van de biologisch vader in deze procedure
4.1.
Door en namens de moeder is bezwaar gemaakt tegen het aanmerken van de biologisch vader als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de Raad tot een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Volgens de moeder is de biologisch vader geen belanghebbende, onder meer omdat hij geen gezag heeft en er geen sprake is van family life op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.2.
De biologisch vader stelt dat hij wel belanghebbende is, hij speelt al voor de geboorte van [de minderjarige] een rol in zijn leven en is betrokken bij hem. Ook is sprake van een omgangsregeling tussen de biologisch vader en [de minderjarige] en is door en namens de biologisch vader een verzoek tot vernietiging van de erkenning van de juridisch vader en een verzoek tot gezamenlijk gezag bij deze rechtbank ingediend. Daarbij komt dat hij door de Raad in het raadsonderzoek aangemerkt is als belanghebbende.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
4.3.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft, behalve op het moment dat de biologisch vader veroordeeld was voor huiselijk geweld jegens haar, altijd gezorgd dat [de minderjarige] contact kon hebben met de biologisch vader. Sinds het incident van anderhalf jaar geleden geeft [de minderjarige] consequent aan dat hij geen contact met de biologisch vader wenst. Hoewel [de minderjarige] uitgeput is door de juridische procedures en hij psychosomatische klachten vertoonde vanwege de omgang met de biologisch vader, ontbreekt de ontwikkelingsbedreiging. Vanwege het ontbrekende contact tussen de biologisch vader en [de minderjarige] , is de rust voor [de minderjarige] wedergekeerd. Uit het raadsrapport is gebleken dat [de minderjarige] in een veilige en stabiele opvoedsituatie bij de moeder en de juridisch vader woont. Hij ontwikkelt zich positief, komt goed mee op school en heeft het naar zijn zin op zijn sportclub. Daarnaast verleent de moeder haar volledige medewerking aan de passende hulpverlening in het vrijwillig kader. Gelet op het bovenstaande wordt door en namens de moeder primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Een ondertoezichtstelling is disproportioneel en zal contraproductief werken. In het verleden is al gebleken dat een samenwerking met de biologisch vader niet mogelijk is. Een ondertoezichtstelling zal een nieuw podium voor strijd vormen, en het patroon van eenzijdige dwingende controle vanuit de biologisch vader richting de moeder wordt hiermee niet doorbroken. Het gaat de biologisch vader namelijk niet om [de minderjarige] , maar om de moeder. Subsidiair wordt door en namens de moeder verzocht om, indien nadere informatie noodzakelijk wordt geacht, binnen een maximale termijn van zes weken en met monitoring door de rechtbank, een aanvullend deskundigenonderzoek te laten verrichten onder strikte voorwaarden: de benoeming van één deskundige met aantoonbare specialisatie in dwingende controle, waarbij het voorstel is om mr. Y.M. Bérénos als ‘facilitator’ te benoemen, voor onafhankelijk advies rondom herstel en de omgang tussen de biologisch vader en [de minderjarige] . Een strikt, kind-veilig mandaat gericht op risico- en veiligheidsanalyse met behoud van de huidige rust en geen blootstelling aan de biologisch vader en maximaal één à twee kindgesprekken om belasting te minimaliseren.
4.4.
De juridisch vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat het met [de minderjarige] goed gaat. Ondanks dat de moeder en de juridisch vader geprobeerd hebben om via mediation de situatie met de biologisch vader te verbeteren, is dit niet gelukt. De dynamiek en de continue druk en de stroom van onwaarheden en leugens vanuit de biologisch vader, vallen de juridisch vader zwaar. Het is dan ook noodzakelijk dat deze situatie opgelost wordt.
4.5.
Door en namens de biologisch vader is ingestemd met het verzochte. Hoewel de biologisch vader erkent dat er altijd contact tussen hem en [de minderjarige] heeft plaatsgevonden, is nu al langere tijd -zeer waarschijnlijk vanwege een loyaliteitsconflict- geen sprake van fysiek contact. Dit doet hem verdriet en is veroorzaakt door de moeder. De biologisch vader heeft meerdere keren geprobeerd zijn excuus aan [de minderjarige] aan te bieden met betrekking tot het incident van anderhalf jaar geleden. [de minderjarige] lijkt hier echter niet open voor te staan. Vanuit betrokken professionals is gebleken dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . De biologisch vader heeft veel hulpverlening geïnitieerd om het patroon te doorbreken, maar dit is niet gelukt. De biologisch vader is het, net als [de minderjarige] zelf, niet eens met de wijze waarop de moeder het ouderschap invult. Omdat hij zich zorgen maakt om [de minderjarige] in de thuissituatie van de moeder en [de minderjarige] hier beschadigd wordt, wil hij een ondertoezichtstelling. Op die manier kan de biologisch vader [de minderjarige] beschermen.
4.6.
De gecertificeerde instelling heeft het volgende op de zitting naar voren gebracht. Het belang van [de minderjarige] dient voorop te staan. Voor hem is het momenteel het belangrijkste dat er rust komt. Met het inzetten van hulpverlening en het daarmee uiteindelijk toewerken naar contactherstel tussen de biologisch vader en [de minderjarige] -waarbij de biologisch vader op de zitting aan heeft gegeven contact te willen om [de minderjarige] op die manier te beschermen-, zal het tegenovergestelde van die noodzakelijke rust bereikt worden. Ook de juridische procedures werken contraproductief. Daarbij komt dat de vraag bestaat in hoeverre een ondertoezichtstelling uitvoerbaar zal zijn, gelet op de verstandhouding tussen de moeder en de biologisch vader. Verder spreekt de gecertificeerde instelling de wens uit dat de moeder en de biologisch vader individuele hulpverlening aangaan.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de juridische positie van de biologisch vader in deze procedure
5.1.
De kinderrechter zal eerst de juridische positie van de vader beoordelen. In artikel 798 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.” Onder meer in het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2018 oordeelt de Hoge Raad dat de vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van artikel 798 Rv Pro, beantwoord moet worden met de inachtneming van de bescherming van het familie- gezinsleven dan wel het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro [1] . Het is aan de rechtbank om te bepalen wie in een procedure als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het zijn van belanghebbende heeft belangrijke procedurele gevolgen. Zo hebben belanghebbenden onder meer het recht om processtukken in te zien, zich te laten bijstaan door een advocaat en hoger beroep in te stellen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de biologisch vader in deze zaak als belanghebbende moet worden aangemerkt en overweegt daartoe als volgt. Hoewel de biologisch vader niet de juridisch vader is van [de minderjarige] , is hij altijd betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] . Hij heeft, tot anderhalf jaar geleden, regelmatig contact met [de minderjarige] in het kader van een vastgestelde omgangsregeling gehad. Het verzoek van de Raad tot een ondertoezichtstelling, met als onderbouwing dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] onder meer bestaat uit het gegeven dat hij momenteel geen draagkracht heeft om het contact met de biologisch vader te herstellen en hij opgroeit met een hevige weerstand ten aanzien van de biologisch vader, maakt dat het belang en de rechten van de biologisch vader rechtstreeks in het geding zijn. Zonder de inzet van de vader kan de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] niet worden opgelost. Daarom merkt de kinderrechter de biologisch vader als belanghebbende aan in deze procedure en gaat de kinderrechter over tot inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De kinderrechter zal de door de advocaat van de biologisch vader ingediende stukken daarbij betrekken.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [2]
5.4.
Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. De verstandhouding tussen de moeder en de biologisch vader is ernstig verstoord en [de minderjarige] heeft inmiddels al langere tijd geen contact met de biologisch vader (gehad). Op dit moment heeft [de minderjarige] geen draagkracht om het contact met de biologisch vader aan te gaan. Uit de stukken en tijdens de zitting is niet gebleken dat er bij [de minderjarige] sprake is van kindsignalen. Hij ontwikkelt zich goed op school en in sociaal opzicht en heeft hij het naar zijn zin bij de moeder en de juridisch vader. De vraag die rijst is dan ook onder meer of het niet hebben van contact met de biologisch vader de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] rechtvaardigt.
5.5.
De kinderrechter overweegt in dat kader, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, dat het ontbreken van contact tussen [de minderjarige] en de biologisch vader op zichzelf niet toereikend is om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. [3] In het voornoemd arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat, om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen, het ontbreken van contact (of omgang) zodanige belastende conflicten of problemen moet opleveren voor een kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met ander omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen van een kind en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen worden gesteld.
5.6.
De moeder en de biologisch vader van [de minderjarige] zijn voor een groot deel van [de minderjarige] ’s leven verwikkeld in juridische procedures met elkaar. Dit brengt spanning en conflicten met zich mee. [de minderjarige] groeit op te midden van deze complexe en verstoorde verhoudingen. Op dit moment, en ondanks eerdere betrokkenheid van een bijzonder curator in het kader van contactherstel in de familierechtelijke procedure, is [de minderjarige] niet in staat of er aan toe om het contact met de biologisch vader weer aan te gaan. Het is invoelbaar dat de biologisch vader dat zeer betreurt. Naar het oordeel van de kinderrechter is het ontbreken van contact tussen [de minderjarige] en de biologisch vader echter onvoldoende om een ondertoezichtstelling te verlenen. Het door de biologisch vader aangevoerde standpunt dat een ondertoezichtstelling nodig is, omdat hij [de minderjarige] anders niet meer ziet, doet daar niet aan af. Zoals overwogen onder 5.5. is gebleken dat bij [de minderjarige] geen sprake is van kindsignalen die onder meer zouden worden veroorzaakt door het ontbreken van contact met de biologisch vader. Het uiteindelijk toewerken naar contactherstel in het gedwongen kader, zal bij de huidige stand van zaken, eerder een negatief dan een positief effect hebben op de houding van [de minderjarige] ten opzichte van de biologisch vader en op zijn ontwikkeling. Daarbij komt dat de Raad de zorgen vanuit de biologisch vader over de opvoedcapaciteiten van de moeder en haar invulling van het ouderschap, niet (h)erkent en dat de moeder de nodige hulpverlening voor [de minderjarige] heeft ingezet en nog steeds voortzet.
5.7.
Nog los van het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het de vraag is of een ondertoezichtstelling in de praktijk uitvoerbaar zou zijn. Uit de stukken en tijdens de zitting is het de kinderrechter duidelijk gebleken dat de strijd tussen de moeder en de biologisch vader al jarenlang voorop staat. Dit blijkt onder meer uit de (aanhangige) juridische procedures tussen hen en het gegeven dat ondanks de veelvuldig ingezette hulpverlening -zowel in het geboorteland van [de minderjarige] , Zuid-Afrika, als in Nederland- het tij nog altijd niet is gekeerd. Ook hebben de moeder en de biologisch vader gedurende het raadsonderzoek vele omvangrijke stukken bij de Raad ingediend en de Raad betrokken bij incidenten die hebben plaatsgevonden. In haar overweging neemt de kinderrechter ook mee dat uit het door en namens de biologisch vader naar voren gebrachte standpunt blijkt dat de biologisch vader de zorgen vanuit de Raad in het kader van zijn persoon en zijn woede-uitbarstingen, die al dan niet in aanwezigheid van [de minderjarige] plaatsvonden, niet (h)erkent en ten aanzien daarvan onvoldoende probleeminzicht heeft. De kinderrechter heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat dit alles anders zal zijn in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling en dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer de situatie zal doen verbeteren. De mogelijkheid bestaat dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer een nieuw podium zal bieden voor nog meer strijd tussen de moeder en de biologisch vader. Al het voorgaande maakt dat de kinderrechter het verzoek tot een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af zal wijzen.
5.8.
Tot slot hoopt de kinderrechter dat, indien dit in zijn belang is, [de minderjarige] uiteindelijk de rust en ruimte vindt om het contact met de biologisch vader op een onbelaste manier aan te kunnen gaan. De kinderrechter gunt dit de biologisch vader, maar met name [de minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 27 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463.
2.Artikel 1:255 BW Pro.
3.Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:766.