Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
binnen één weekna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring (beroep met zaaknummer NL25.63245).
binnen vier wekenna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod (beroep met zaaknummer: NL25.63534).