ECLI:NL:RBDHA:2026:318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63245+NL25.63534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 7 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en terugkeerbesluit vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 11 december 2025 aan eiseres een maatregel van bewaring op wegens risico op onttrekking aan toezicht, gebaseerd op meerdere zware en lichte gronden uit de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000. Tevens werd een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiseres betwistte slechts de grond dat zij onvoldoende meewerkte aan het vaststellen van haar identiteit, maar de rechtbank oordeelde dat de overige gronden voldoende waren om de maatregel te dragen.

Eiseres voerde aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen en onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, onder meer omdat een foto van haar paspoort niet was meegestuurd bij de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank stelde vast dat de minister tijdig en adequaat handelde, waaronder het voeren van een vertrekgesprek en het indienen van de lp-aanvraag binnen vijf dagen na inbewaringstelling. De afhankelijkheid van de Thaise autoriteiten rechtvaardigt de duur van de maatregel.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen reden was om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt, mede omdat eiseres onvoldoende meewerkt aan haar uitzetting en de Thaise autoriteiten geen weigering van een laissez-passer hebben geuit. De ambtshalve toetsing leverde geen aanleiding op om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63245 en NL25.63534

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer NL25.63245). Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Tevens heeft de minister op 11 december 2025 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor een periode van twee jaar aan eiseres opgelegd. Eiseres heeft ook hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer NL25.63534)
De rechtbank heeft de beroepen op 6 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
1.1.
Eiseres betwist alleen zware grond 3d. Volgens haar kan deze grond geen standhouden, omdat zij meent mee te hebben gewerkt aan het vaststellen van haar gegevens. Zij heeft namelijk een foto van haar paspoort overgelegd.
1.2.
Eiseres heeft de overige gronden niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist. Daarom zijn deze gronden al voldoende om de maatregel van bewaring te dragen [1] en kan worden aangenomen dat het risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarom kan onbesproken blijven of de minister de zware grond 3d aan eiseres mocht tegenwerpen.
2. Voor zover eiseres stelt dat uit de zware grond 3d geen onttrekkingsrisico kan worden afgeleid, en daardoor een verkorte vertrektermijn had moeten worden opgelegd in het terugkeerbesluit [2] op grond van artikel 7 van Pro de Terugkeerrichtlijn, volgt de rechtbank eiseres daarin niet. Eiseres heeft een terugkeerbesluit opgelegd gekregen met de aanzegging dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. De zware en lichte gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank ook terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Uit deze gronden kan worden geconcludeerd dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister is derhalve op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bevoegd eiseres een vertrektermijn te onthouden.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiseres voert aan dat de minister aan haar een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten opleggen, zoals het opleggen van een meldplicht. Eiseres was namelijk bereid om mee te werken aan haar uitzetting. Zij heeft immers aangegeven dat zij terug wil gaan naar Thailand in het nieuwe jaar.
3.1.
De rechtbank heeft eerder, onder 1.2, vastgesteld dat de gronden de maatregel van bewaring rechtvaardigen. Uit die gronden blijkt dat er een risico op onttrekking bestaat. [3] Daarom mag de minister eiseres in bewaring houden om de uitzetting naar Thailand veilig te stellen. De minister heeft daarbij verder terecht gewezen op het feit dat eiseres tijdens het gehoor op 11 december 2025 heeft aangegeven dat zij eerst nog meer geld wil verdienen en dan later, na het nieuwe jaar, een ticket zou kopen om terug te keren naar Thailand. De minister stelt dan ook terecht dat er geen minder ingrijpende, maar even effectieve maatregelen beschikbaar waren in het geval van eiseres. Dat eiseres naar eigen zeggen eerst geld wilde verdienen om vervolgens in het nieuwe jaar (2026) terug te gaan naar Thailand, doet niet af aan het voorgaande onttrekkingsrisico. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eiseres thans, nu het inmiddels 2026 is, alsnog stappen heeft ondernomen om terug te keren naar Thailand. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres?
4. Eiseres voert aan dat de minister niet voldoende voortvarend werkt aan haar uitzetting. Volgens eiseres had de minister de foto van haar paspoort moeten meesturen bij de aanvraag voor een laissez-passer (lp), hetgeen volgens haar niet is gebeurd. Eiseres meent dat indien de minister dat wel had gedaan, Thailand eerder een lp had afgegeven. De maatregel duurt daardoor langer voort en de minister handelt daarom niet voldoende voortvarend.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister werkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres. Op 16 december 2025, de vijfde dag van de inbewaringstelling van eiseres, heeft de minister een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Op diezelfde datum is ook de lp-aanvraag verzonden naar de Thaise autoriteiten. Deze handelwijze van de minister is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister voor het vaststellen van de uitzettingsdatum (mede) afhankelijk is van de Thaise autoriteiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inbewaringstelling niet onredelijk lang voortduurt. De minister mag namelijk tijd gegund worden om de uitzetting te regelen. Daar komt bij dat de minister op de zitting heeft toegezegd dat de gegevens van eiseres, zoals die blijken uit het EU-VIS-systeem, zijn meegestuurd bij de lp-aanvraag.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Thailand?
5. Eiseres voert verder aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Thailand ontbreekt, nu de minister heeft nagelaten om de foto van haar paspoort te versturen naar de Thaise autoriteiten.
5.1.
In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Aangezien eiseres geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd, heeft de minister een laissez-passer-traject opgestart. De Thaise autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij geen laissez-passer willen verstreken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Thaise autoriteiten en mag hij de tijd nemen om op hun reactie te wachten. Op eiseres rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Dit betekent onder andere dat zij actief en volledig moet meewerken aan zijn uitzetting. Het is niet gebleken dat eiseres hieraan voldoende voldoet. Ook om deze reden ontbreekt het zicht op uitzetting op dit moment niet. [4]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen één weekna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring (beroep met zaaknummer NL25.63245).
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen vier wekenna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod (beroep met zaaknummer: NL25.63534).

Voetnoten

1.Gelet op artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
2.Beroep met zaaknummer NL25.63534.
3.ABRVS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).