Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3115

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
26.5422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 VwArt. 106 VwArt. 3 EVRMVreemdelingenwet 2000ECLI:EU:C:2021:127
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van internationale bescherming in Duitsland

De minister heeft op 30 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Iraakse nationaliteit dragende persoon die internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De bewaring werd op 13 februari 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het beroep behandelde. Eiser was niet aanwezig vanwege overdracht aan Duitse autoriteiten.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat een derdelander die internationale bescherming geniet in een andere lidstaat en weigert daarheen terug te keren, in bewaring kan worden gesteld indien terugkeerbesluit juridisch onmogelijk is. De rechtbank stelde vast dat aan deze voorwaarden was voldaan.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had kunnen volstaan, omdat hij bereid was terug te keren naar Irak maar niet naar Duitsland, en dat de minister contact had moeten zoeken met Duitse autoriteiten om zijn zorgen weg te nemen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat eiser niet vrijwillig zou vertrekken naar Duitsland en dat een lichter middel niet doeltreffend was.

De minister had voldoende voortvarend gewerkt aan uitzetting, onder meer door een vertrekgesprek op de vijfde dag van bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5422

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 30 januari 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook
worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel op 13 februari 2026 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 om 12.00 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, omdat hij om 11.00 zou worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft door toezending van de M113 bevestigd dat eiser inderdaad op
13 februari 2026 is overgedragen. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2.1.
In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat de voor terugkeer van betrokkene noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voor handen zijn.
2.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring was niet op de grond onrechtmatig.
Grondslag
4. Ten aanzien van de grondslag van de bewaring oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het arrest M e.a. van het Hof van Justitie van de EU van 24 februari 2021 [2] volgt dat de minister een illegaal in Nederland verblijvende derdelander op grond van nationale wetgeving met het oog op vertrek in bewaring kan stellen als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
- de illegaal in Nederland verblijvende derdelander geniet internationale bescherming in een andere lidstaat en,
- de derdelander weigert om naar die lidstaat te vertrekken en,
- het is juridisch onmogelijk voor de minister om een terugkeerbesluit te nemen.
4.1.
De Afdeling [3] heeft, na het stellen van prejudiciële vragen, in haar uitspraak van
12 januari 2022 [4] bevestigd dat een illegaal in Nederland verblijvende derdelander met een geldige asielvergunning in een andere lidstaat door de minister in bewaring kan worden gesteld om er zeker van te zijn dat de derdelander daadwerkelijk naar die lidstaat vertrekt. Verder heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak bevestigd dat artikel 59, tweede lid, van de Vw kan gelden als (nationaalrechtelijke) grondslag voor een dergelijke inbewaringstelling.
Gronden
5. De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiser werd voldaan aan de voorwaarden als hiervoor onder 4. genoemd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Duitsland rechtmatig verblijf heeft op basis van internationale bescherming. Verder heeft eiser op
18 september 2025 een bevel gekregen dat hij zich onmiddellijk moet begeven naar de lidstaat van verblijf (Duitsland). Eiser heeft in de vertrekgesprekken en in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling meermaals aangegeven niet terug te willen keren naar Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank wordt ook voldaan aan de voorwaarde dat het voor de minister juridisch onmogelijk is om een terugkeerbesluit te nemen. Eiser geniet namelijk internationale bescherming in Duitsland en daarmee is erkend dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst, Irak, een reëel risico loopt op vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [5] Als de minister aan eiser toch een terugkeerbesluit zou opleggen, maakt hij daarmee een inbreuk op het beginsel van non- refoulement. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser terecht in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bewaring onrechtmatig was, omdat er had kunnen worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft vanaf het begin in alle vertrekgesprekken aangegeven terug te willen keren naar Irak. Hij heeft ook aangegeven niet te willen terugkeren naar Duitsland. Eiser is van mening dat het op de weg van de minister lag om contact op te nemen met de Duitse autoriteiten, om de zorgen die hij had over zijn verblijf en contact met de autoriteiten daar weg te nemen. Volgens eiser was de bewaring niet noodzakelijk geweest als eisers zorgen waren weggenomen, en had kunnen worden volstaan met een lichter middel.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet had kunnen worden volstaan met een lichter middel. Hoewel eiser zich meewerkend heeft opgesteld kan zijn terugkeer naar Irak niet worden geregeld vanuit Nederland, en was het doel van de bewaring een zo spoedig mogelijke overdracht aan Duitsland.
6.2.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht naar Duitsland. Een lichter middel volstond daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De vraag of eiser in Duitsland adequate hulp kan krijgen is al beoordeeld in zijn Dublin-procedure, en wordt in de onderhavige zaak niet getoetst.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 4 februari 2026, een vertrekgesprek gevoerd met eiser.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.ECLI:EU:C:2021:127.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.