ECLI:NL:RBDHA:2026:3105

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL24.11141
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, opgelegd bij besluit van 7 maart 2024. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 18 december 2025, maar verweerder meldde dat eiser op 1 november 2024 naar China is uitgezet. De gemachtigde van eiser gaf aan het contact met eiser verloren te zijn en verzocht om uitspraak zonder zitting.

De rechtbank overwoog dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep, nu het contact met zijn gemachtigde is verbroken. Gezien het ontbreken van een rechtens te beschermen belang verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door rechter J.C. de Vries en griffier A.R. de Groot. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11141

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 18 december 2025.
Verweerder heeft op 11 december 2025 te kennen gegeven dat eiser op 1 november 2024 is uitgezet naar China. Daarbij heeft verweerder de rechtbank verzocht zich uit te laten over het procesbelang in deze zaak.
Bij bericht van 12 december 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om zijn standpunt hierover kenbaar te maken.
De gemachtigde van eiser heeft op 14 december 2025 te kennen gegeven dat het contact met eiser verloren is gegaan. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder zitting.
Bij bericht van 15 december 2025 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van procesbelang en de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting.
Nadat beide partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank op 5 januari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft bij bericht van 11 december 2025 te kennen gegeven dat eiser op 1 november 2024 is uitgezet naar China. Dit blijkt ook uit een meegestuurde bijlage.
3. Bij bericht van 14 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser te kennen gegeven dat het contact met eiser verloren is gegaan.
4. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8227 en 15 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1620 overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het besluit van 7 maart 2024 ingestelde rechtsmiddel, nu hij op dit moment geen contact meer heeft met zijn gemachtigde over deze procedure. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
5. Het beroep is dus niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.