Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
4 november 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 5 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
30 november 2023 [13] en de Afdeling van 12 juni 2024 [14] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.