ECLI:NL:RBDHA:2026:3024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.16661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep overdrachtstermijn

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Dit verzoek is ingediend bij de intrekking van het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn.

De minister heeft de rechtbank laten weten geen aanleiding te zien om de proceskosten te vergoeden. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen proceskosten kunnen worden toegewezen indien het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig herziet dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig wordt erkend.

In deze zaak heeft de minister het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn niet ingetrokken, maar slechts het overdrachtsbesluit van 2 april 2025. Omdat het hier om twee verschillende besluiten gaat, is er geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb. Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen als kennelijk ongegrond.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de minister het bestreden besluit niet heeft ingetrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank op 24 september 2025 laten weten dat hij geen aanleiding ziet om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen.
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
4. De minister heeft het besluit tot de verlenging van de overdrachtstermijn niet ingetrokken. De intrekking van het beroep is het gevolg van de intrekking van het overdrachtsbesluit van 2 april 2025. Dit zegt echter niets over de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn. Het zijn namelijk twee verschillende besluiten. Van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Awb is dan ook geen sprake. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.