Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 28 oktober 2025 een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen ingebrekestelling vereist is vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister wordt opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Ter waarborging van naleving wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 5 februari 2026.