ECLI:NL:RBDHA:2026:2962

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL24.17365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EGVerordening (EU) 2018/1860
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne en vervangend terugkeerbesluit

Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen en een terugkeer naar Marokko te gelasten. Na prejudiciële vragen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak werd een vervangend terugkeerbesluit genomen op 28 juli 2025.

Eiser betoogde dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is vanwege schending van het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, en dat de hardheidsclausule niet is toegepast. Ook stelde hij bezwaar tegen de SIS-melding. Verweerder stelde dat het rechtmatig verblijf van eiser was geëindigd en dat het terugkeerbesluit en de signalering in SIS rechtmatig zijn.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, dat er geen sprake is van gelijke gevallen, en dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, en het evenredigheidsbeginsel is niet overtreden gezien het doel van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De SIS-melding is gerechtvaardigd volgens EU-verordening.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het vervangend terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het vervangend terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.17365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I. Petovski)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 28 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser van rechtswege na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming, hij moet terugkeren naar Marokko en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [1] In het vervangende besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere terugkeerbesluit te vroeg is genomen en heeft verweerder een nieuw terugkeerbesluit genomen en bepaald dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met het besluit van 28 juli 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Eiser meent voorts dat verweerder het evenredigheidsbeginsel niet heeft betrokken. Geen beoordeling van de hardheidsclausule dan wel enige billijkheidsoverweging heeft plaatsgehad. Tot slot is er volgens eiser geen enkele reden om een terugkeerbesluit met SIS-melding op te leggen.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Hij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Voorts merkt verweerder op dat als uitgangspunt geldt dat wanneer aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt opgelegd, de vreemdeling eveneens wordt gesignaleerd in het SIS. De signalering volgt de maatregel zolang het terugkeerbesluit bestaat. De signalering van eiser kan niet worden opgeheven zonder het opheffen van het terugkeerbesluit, nu het enkel opheffen van de signalering tot gevolg zou hebben dat het terugkeerbesluit een dode letter
wordt. Het is niet gebleken dat eiser een concreet belang heeft bij het enkel opheffen van de signalering met instandhouding van het terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het vervangende besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser en het daarop gebaseerde terugkeerbesluit niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu het doel van de Richtlijn is om te voorkomen dat de werking van het asielstelsel ontwricht raakt door een massale toestroom van ontheemden. De geboden bescherming is per definitie tijdelijk en moet uitmonden in terugkeer naar het land van herkomst of Oekraïne, ofwel een verblijfsprocedure in Nederland. In het geval van eiser gaat het, zoals blijkt uit het vervangende besluit, om terugkeer naar Marokko. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die dit anders maken.
10. Voor zover eiser verder nog heeft aangevoerd dat er geen enkele reden is om een terugkeerbesluit met een SIS-melding op te leggen, is de rechtbank van oordeel dat in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU) 2018/1860 staat dat wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, onverwijld een signalering inzake
terugkeer in SIS wordt ingevoerd. Gesteld noch gebleken is dat zich in het geval van eiser omstandigheden voordoen op grond waarvan op basis van het tweede of derde lid van deze bepaling daarvan kan worden afgezien. Deze beroepsgrond faalt eveneens.
11. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak [naam 3] .
12. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.
13. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025