ECLI:NL:RBDHA:2026:2721

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.37349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 8:57 AwbRichtlijn 2008/115/EGArtikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RTB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland vanwege de inval in Oekraïne, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit na beëindiging van zijn tijdelijke beschermingsstatus per 4 september 2025. Hij betwistte dit besluit en voerde aan dat de beëindiging prematuur was, dat hij risico liep op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria en dat hij een beschermenswaardig familie- en privéleven in Nederland had opgebouwd.

De rechtbank oordeelde dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming conform de geldende Europese richtlijnen en jurisprudentie was en dat eiser geen verblijfsvergunning had of een aanvraag daartoe had lopen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting betrof zonder toezeggingen over gelijke behandeling met Oekraïense ontheemden.

De stelling dat terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade oplevert, werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat een eerdere asielaanvraag was afgewezen en geen nieuw bewijs was ingediend. Ook was onvoldoende onderbouwd dat eiser een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland had opgebouwd, mede omdat de relatie met zijn partner niet duurzaam was voor de inval in Oekraïne.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het terugkeerbesluit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser heeft verweerder het bestreden besluit prematuur genomen. Verweerder heeft immers meegedeeld dat de bevriezing van de beëindiging van de tijdelijke bescherming geldt voor de gehele groep derdelanders. Ook voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Nigeria. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
5. Voor zover eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
6. De stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen. Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Eiser heeft geen hoger beroep hiertegen ingesteld. De enkele stelling van eiser dat hij bezig is met het verzamelen van nieuw bewijsmateriaal voor een nieuwe asielaanvraag, vormt op dit moment geen aanleiding voor de conclusie dat terugkeer van eiser naar Nigeria vermoedelijk afbreuk kan doen aan het non-refoulementsbeginsel.
7. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. De niet nader onderbouwde en geconcretiseerde stelling van eiser dat hij in Nederland heeft gewerkt én dat hij een vriendin heeft die wel in Nederland mag blijven, is onvoldoende voor de conclusie dat hij beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij stelt verweerder terecht dat eiser gelet op het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht er altijd rekening mee heeft moeten houden dat hij na beëindiging hiervan moet terugkeren.
8. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RTB, en artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan eiser enkel als gezinslid een verblijfsrecht aan de RTB ontlenen aan de tijdelijke bescherming hier te lande van zijn partner als er al vóór de inval door Rusland in Oekraïne sprake was van een duurzame relatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval was, omdat hij dit niet heeft onderbouwd met stukken. Daarnaast wijst verweerder er in zijn verweerschrift op dat de gestelde partner van eiser zelf te kennen heeft gegeven dat de relatie een jaar geleden is aangegaan, in Nederland.
9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.