ECLI:NL:RBDHA:2026:2718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortduring maatregel van bewaring en toekenning schadevergoeding

De minister legde op 28 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde dat deze tot 22 januari 2026 rechtmatig was.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de voortzetting van de bewaring tussen 22 januari 2026 en 26 januari 2026 rechtmatig was. De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf 25 januari 2026 onrechtmatig was omdat de minister de maatregel niet binnen de vereiste 48 uur na indiening van een verblijfsvergunning asiel heeft omgezet.

Andere beroepsgronden van eiser, zoals het ontbreken van redelijk vooruitzicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van de minister en de geschiktheid van de toegepaste maatregel, worden verworpen. De rechtbank wijst een schadevergoeding toe van €120,- voor één dag onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €934,-. De maatregel van bewaring is inmiddels opgeheven en een nieuwe maatregel is niet ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is voortgeduurd van 25 tot 26 januari 2026 en kent een schadevergoeding van €120,- toe aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 28 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 18 november 2025. [1] Het voortduren van deze maatregel is getoetst bij de uitspraken van 23 december 2025 [2] en 28 januari 2026. [3]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 26 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 5 februari 2026.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 22 januari 2026) tot 26 januari 2026 rechtmatig was.
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Is de maatregel van bewaring te laat omgezet?
4 Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser heeft op 23 januari 2026 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Vanaf dat moment had de minister 48 uur de tijd om de maatregel om te zetten. De maatregel is pas omgezet op 26 januari 2026, zodat de bewaring onrechtmatig heeft voortgeduurd en eiser een schadevergoeding moet krijgen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister moet – zoals eiser betoogt – uiterlijk binnen twee dagen na de dag van indiening van een verblijfsaanvraag de grondslag van de bewaring om te zetten, dit was dus uiterlijk op 25 januari 2026. Bij het nalaten hiervan is het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig. [4] Deze termijn heeft de minister in dit geval niet gehaald, nu hij de grondslag van de bewaring pas op 26 januari 2026 heeft omgezet. Dit betekent dat de bewaring vanaf 25 januari 2026 onrechtmatig was. De bewaring van 22 januari 2026 tot en met 25 januari 2026 was wél rechtmatig. Dit legt de rechtbank hieronder uit.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
5. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser heeft niet meegewerkt aan zijn presentatie bij de Ethiopische autoriteiten, maar dit kan hem niet worden tegengeworpen vanwege het risico op refoulement bij terugkeer. Bewaring kan niet worden gebruikt als drukmiddel om verdergaande medewerking af te dwingen. Het voorgaande, samen met het feit dat eiser een ongedocumenteerde vreemdeling is, maakt uitzetting onmogelijk.
5.1.
De rechtbank stel vast dat eiser deze beroepsgrond eerder heeft aangevoerd. Voor de beroepsgrond over het zicht op uitzetting verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Vanwege het feit dat eiser niet mee wil werken aan zijn terugkeer, heeft het presenteren van eiser bij de Ethiopische autoriteiten geen enkele toegevoegde waarde. De minister heeft dan ook geen andere effectieve uitzettingshandelingen verricht dan terugkeergesprekken en een presentatie.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 januari 2026 geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. [6] Tussen het sluiten van het onderzoek in de vorige zaak (22 januari 2026) en de dag waarop de maatregel had moeten worden opgeheven (25 januari 2026) zitten drie dagen. De minister was niet verplicht om in die korte periode een uitzettingshandeling te verrichten. Van eiser mag verder worden verwacht dat hij meewerkt aan handelingen die nodig zijn voor zijn terugkeer. Indien eiser ervoor kiest om niet mee te werken aan zijn terugkeer, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser betoogt dat aan hem een lichter middel opgelegd had moeten worden, omdat de wijze van de tenuitvoerlegging en plaats niet geschikt is voor hem als jongvolwassene. Bijkomend daarbij is nog de vrees voor terugkeer. De minister had dan ook rekening moeten houden met het refoulementbeginsel. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
Eiser betoogt daarnaast dat hij problemen ervaart met andere gedetineerden, door hun gedragingen en problematiek. Eiser wordt bedreigd en is genoodzaakt om op cel te verblijven, omdat het personeel onvoldoende optreedt. Dit samenstel van bijzondere gewijzigde omstandigheden maakt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Deze grond heeft eiser in zijn eerdere beroepen aangevoerd. Zoals ook al in de eerdere beroepen is geoordeeld vormen de door eiser genoemde omstandigheden, waaronder het refoulementbeginsel, geen reden om van de minister te verlangen dat aan hem een lichter middel werd opgelegd. [7] Van bijzondere gewijzigde omstandigheden is dan ook geen sprake. Ten aanzien van eisers stelling dat hij bedreigd wordt en het gebrek aan beveiliging door het personeel overweegt de rechtbank dat eiser zich daarvoor dient te wenden tot de directeur van het detentiecentrum. Bij de directeur van het detentiecentrum kan eiser klagen over zijn veiligheid en het optreden van het personeel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel tot 25 januari 2026 niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 25 januari 2026 (tot de opheffing daarvan op 26 januari 2026) onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheid stellen van eiser, omdat deze maatregel van bewaring al is opgeheven en eiser aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd. De nieuwe maatregel ligt niet ter beoordeling voor. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor één dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel: 1 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 120,-.
9.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 120,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17574.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25105.
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 28 januari 2026, NL26.2698 (niet gepubliceerd)
5.ECLI:NL:RBDHA:2025:17574, r.o. 8.1 en ECLI:NL:RBDHA:2025:25105, r.o. 4.1 en NL26.2698 (niet gepubliceerd), r.o. 3.1.
7.ECLI:NL:RBDHA:2025:17574, r.o. 7.1 en ECLI:NL:RBDHA:2025:25105, r.o. 3 en 5.1 en ECLI:NL:RBDHA:1897, r.o. 5.1.
8.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.