ECLI:NL:RBDHA:2026:2714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/9139 en SGR 26/270
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 2s lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek consulaire bijstand bij verlaten Gaza geen besluit in zin Awb

Verzoeker, een staatloze Palestijn met een mvv voor studie, verzocht om consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza om zijn mvv-sticker in Amman op te halen. Verweerder wees dit verzoek af omdat verzoeker niet tot de drie groepen behoort die hiervoor in aanmerking komen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de afwijzing geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om consulaire bijstand een feitelijke handeling betreft zonder publiekrechtelijk rechtsgevolg, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die dit anders maken. Ook is de afwijzing geen handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 die gelijkgesteld kan worden met een beschikking.

Hoewel de humanitaire situatie in Gaza schrijnend is en er sprake is van een spoedeisend belang, kan verzoeker zich wenden tot de civiele rechter voor een inhoudelijke beoordeling. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van consulaire bijstand wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/9139 en SGR 26/270

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.V. de Kort).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om hem consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza . Verweerder heeft dit bezwaar met het besluit van 28 december 2025 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar open staat.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. De voorlopige voorziening is gelijktijdig met de verzoeken SGR 25/8885 en SGR 25/8893 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een videoverbinding), zijn gemachtigde, A. Jamal Abdilahi (tolk van verzoeker) en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om ook direct uitspraak te doen op het beroep. [1]
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is een staatloze [nationaliteit] en bevindt zich op dit moment in Gaza . Op 21 november 2025 heeft hij bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘Studie’. Met de brief van 2 december 2025 heeft de IND verzoeker te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van de mvv en de Nederlandse ambassade in Amman te Jordanië gemachtigd om deze aan verzoeker te verlenen. In de brief geeft de IND aan dat verzoeker zo snel mogelijk een afspraak moet maken bij de Nederlandse ambassade in Amman voor het opstarten van de procedure voor afgifte van de mvv-visumsticker.
3.1.
Met de brief van 4 december 2025 heeft verzoeker verweerder verzocht om consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza omdat hij hier, gelet op de huidige situatie aldaar, zelfstandig niet toe in staat is. Met de e-mail van 8 december 2025 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat verzoeker niet behoort tot een van de drie groepen die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking komt. [2] Met de bestreden beslissing van 28 december 2025 is verweerder daarbij gebleven en heeft hij het bezwaar van verzoeker tegen de e-mail van 4 december 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar openstaat. [3]
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van zijn verzoek om consulaire bijstand, anders dan verweerder meent, wel degelijk moet worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. In dit kader voert verzoeker onder andere aan dat sprake is van een uitzonderlijk geval waardoor ook zonder publiekrechtelijke grondslag sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Door het plaatsen van weblogs en het doen van uitlatingen in de media over de stand van zaken omtrent de evacuatie van verschillende groepen personen uit Gaza , alsook de inspanningen die verweerder in het verleden in dat kader heeft verricht, heeft verweerder de publieke taak aan zich getrokken om ook in situaties zoals deze over te gaan tot evacuatie. [4] Verzoeker beroept zich ook op artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarin is bepaald dat een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig wordt gelijkgesteld aan een beschikking en daarmee vatbaar is voor bezwaar. In dat kader wijst verzoeker op artikel 2s, derde lid, van de Vw, dat bepaalt dat de mvv bij de vertegenwoordiging dan wel het Kabinet aan de vreemdeling in persoon wordt afgegeven. Mocht het aankomen op een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, dan betoogt verzoeker dat verweerder in strijd heeft gehandeld met gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft immers in het verleden in vergelijkbare situaties wél consulaire bijstand verleend bij het verlaten van Gaza . Daarnaast is ook sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
5.1.
De voorzieningenrechter is ambtshalve bekend met het feit dat de humanitaire situatie in Gaza – ook na het sluiten van een akkoord over een staakt-het-vuren – nog altijd schrijnend is. Aanvallen en bombardementen, waarbij ook de nodige burgerslachtoffers vallen, zijn nog steeds aan de orde van de dag. Ook is er nog altijd een gebrek aan voedsel en andere noodzakelijke (medische) voorzieningen. [5] Daarbij is de grensovergang nog altijd niet voor iedereen geopend, waardoor het allerminst zeker is dat verzoeker op tijd zijn mvv kan ophalen bij de ambassade in Amman. Van verzoeker kan gelet daarop redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de uitspraak op het door hem ingestelde beroep afwacht. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.
Is sprake van een besluit?
6. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de e-mail van 8 december 2025 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Verzoeker stelt van wel. De door verzoeker gegeven argumenten worden besproken in de overwegingen hierna.
6.1.
Artikel 1:3, eerste lid, van Awb bepaalt dat onder besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling wordt verstaan.
6.2.
In de Nederlandse wetgeving is geen juridisch afdwingbaar recht op consulaire bescherming neergelegd. [6] Gezien de uiteenlopende omstandigheden in het buitenland is het aan de beoordeling van verweerder overgelaten om te bepalen in welke vorm en in welke mate consulaire bescherming wordt geboden, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het al dan niet verlenen van consulaire bijstand is een feitelijk handelen of nalaten van verweerder waarbij geen publiekrechtelijk rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. De afwijzing van verweerder van het verzoek om consulaire bijstand te verlenen is daarmee in beginsel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
6.3.
In zeer bijzondere gevallen kan een beslissing van een bestuursorgaan die wordt genomen in het kader van een aan dat bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust, niettemin als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. [7] Een dergelijk zeer bijzonder geval doet zich hier niet voor. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
6.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker niet onder een van de categorieën valt waarvoor verweerder heeft besloten consulaire bijstand bij vertrek uit Gaza te verlenen. Dat verweerder op 27 augustus 2025 en 17 september 2025 aan in totaal 22 personen met een mvv-inwilliging in het kader van gezinshereniging maar ook in het kader van studie en wetenschappelijk onderzoek vertrek naar Nederland heeft gefaciliteerd [8] , maakt niet dat verweerder hiermee ook de publieke taak aan zich heeft getrokken om aan personen met een mvv met het verblijfsdoel studie of wetenschappelijk onderzoek consulaire bijstand te verlenen. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder heeft benadrukt dat de verleende hulp een geste was om de reden van de zeer schrijnende veiligheids- en humanitaire situatie op dat moment in de Gazastrook. Ook heeft verweerder, anders dan verzoeker heeft betoogd, nimmer in publieke uitlatingen, weblogs op zijn eigen website of in overige beleidsdocumenten ondubbelzinnig gecommuniceerd dat hij de publieke taak van het evacueren van personen met een mvv met als verblijfsdoel studie of wetenschappelijk onderzoek aan zich heeft getrokken. Dat er thans nog steeds sprake is van een schrijnende humanitaire situatie maakt niet dat verweerder nu wederom diezelfde hulp dient te verlenen, gelet op de ruime mogelijkheden die verweerder heeft om verschillende feitelijke handelingen in het kader van consulaire bijstand te verrichten en af te wegen of dit opportuun en geboden is.
6.5.
De door verzoeker in dit verband gemaakte vergelijking met de uitspraak van de hoogste bestuursrechter over Afghaanse evacués gaat hier niet op. In die situatie was sprake van een kabinetsbrief [9] waarin de minister van Buitenlandse zaken, de Minister van Defensie en de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid een speciale voorziening hebben getroffen en daarmee de publieke taak aan zich hebben getrokken om de overkomst van twee groepen Afghaanse burgers, die Nederland in het verleden op enigerlei wijze hadden ondersteund en waarvoor Nederland zich om die reden verantwoordelijk voelde, te faciliteren. Daarvan is hier geen sprake. Dat verzoeker, in tegenstelling tot de Afghaanse evacués, al weet dat hij een verblijfsrecht in Nederland zal hebben op grond van zijn ingewilligde mvv-aanvraag, is bij de vraag of de e-mail van 8 december 2025 een besluit is niet relevant.
Is sprake van een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw?
7. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het weigeren van consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza moet worden gezien als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw en daarmee gelijk moet worden gesteld met een beschikking waartegen bezwaar open staat. Verweerder is het daar niet mee eens.
7.1.
Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw wordt met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig. Met deze bepaling heeft de wetgever (feitelijke) handelingen ter uitvoering van de Vw ondergebracht ter beoordeling bij de bestuursrechter.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met de afwijzing van het verzoek van verzoeker om consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza geen uitvoering geeft aan de Vw. Deze wet regelt de toelating tot én het verblijf in Nederland voor vreemdelingen en biedt geen grondslag voor rechtsmacht buiten het Nederlands grondgebied. Een andere opvatting zou betekenen dat een veelheid aan handelen en nalaten van verweerder ten opzichte van personen die zich in het buitenland bevinden onder het bereik van artikel 72, derde lid, van de Vw komt. Voor zo een verstrekkende uitleg ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten. [10] Het betoog van verzoeker dat deze opvatting afbreuk doet aan artikel 2s, derde lid, van de Vw, en daarmee ook aan de Richtlijn (EU) 2016/801 waarop deze bepaling is gebaseerd, slaagt niet. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, is artikel 2s, derde lid, van de Vw praktisch ingestoken en geeft dit artikel slechts informatie over waar een vreemdeling de mvv kan ophalen. Deze bepaling roept dus geen verplichting in het leven voor verweerder om allerhande feitelijke hulp te bieden om te garanderen dat de mvv ook daadwerkelijk kan worden opgehaald. Ook in het door verzoeker aangehaalde commentaar op artikel 72 van Pro de Vw [11] ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor een ander oordeel op dit onderdeel. Net als verweerder gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat met de hierin vermelde ‘grensambtenaar’ wordt gedoeld op de Nederlandse grensambtenaar. Een andere uitleg zou namelijk niet in lijn zijn met het hiervoor genoemde uitgangspunt dat de Vw geen grondslag biedt voor rechtsmacht buiten het Nederlands grondgebied.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is de e-mail van 8 december 2025 met daarin de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb of een handeling die op grond van de Vw gelijkstaat aan een besluit. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel de voorzieningenrechter oog heeft voor de schrijnende situatie waarin verzoeker zich bevindt, kan gelet op het vorenstaande niet worden toegekomen aan de beoordeling van de inhoudelijke gronden die hij heeft ingediend. Als verzoeker het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek en de wijze waarop verweerder omgaat met de mogelijkheid om consulaire bijstand te verlenen onzorgvuldig vindt, kan hij zich wenden tot de civiele rechter, bijvoorbeeld door middel van het aanhangig maken van een kort geding.
9. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Nederlanders en hun kerngezinsleden, personen met een verblijfsvergunning voor Nederland en vanaf december 2023 personen aan wie een mvv voor gezinshereniging.
3.In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb
4.Verzoeker maakt hierbij de vergelijking met de uitspraak die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 14 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2592) heeft gedaan over de Afghaanse evacués.
5.Zie bijvoorbeeld de ‘Humanitarian Situation Update #355 / Gaza Strip ’ van de United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) van 28 januari 2026.
6.MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 733 (R2090), nr. 3, p. 2. In dezelfde zin: Nota n.a.v. Verslag, Kamerstukken II 2017/18, 34 733 (R2090), nr. 5, p. 2.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222, r.o. 7.1.
9.Brief van het kabinet aan de Tweede Kamer van 11 oktober 2021, Kamerstukken II 2021-2022, 27 925, nr. 860.
10.De voorzieningenrechter ziet hiervoor steun in de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2444.
11.Sdu commentaar Nederlands migratierecht op artikel 72 -Vreemdelingewet 2000, mr. D.S. Arjan Sharma.