ECLI:NL:RBDHA:2026:2713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.41463
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf als gezinslid bij haar echtgenoot, de referent. De minister wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond zonder eiseres te horen, hoewel zij hierom had verzocht.

De rechtbank oordeelt dat de minister onterecht is afgeweken van de hoorplicht in bezwaar, omdat er nieuwe bewijsstukken en onduidelijkheden waren die een hoorzitting rechtvaardigden. De minister had niet mogen aannemen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was zonder nader onderzoek.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiseres en referent worden gehoord. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De overige beroepsgronden worden niet inhoudelijk behandeld omdat de uitkomst van de hoorzitting mogelijk tot een ander besluit kan leiden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41463

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in bezwaar ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht. De minister had niet zonder te horen het bezwaar ongegrond mogen verklaren. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 18 april 2024 heeft eiseres een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij referent op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiseres stelt de echtgenote van referent zijn. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de huwelijksband niet is aangetoond. Daarom is volgens de minister geen sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ook als er wel sprake zou zijn van familie- en gezinsleven, stelt de minister zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het middelenvereiste. Verder valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.
Mocht de minister afzien van horen in bezwaar?
4. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase, terwijl zij daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. Eiseres voert aan dat de minister zeer terughoudend moet omgaan met het afzien van horen in bezwaar. [1] Volgens eiseres kon de minister, nu het bezwaarschrift wezenlijke vragen oproept over het gestelde huwelijk, het middelenvereiste en de belangenafweging, niet op voorhand aannemen dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Door af te zien van het horen heeft de minister eiseres en referent de mogelijkheid ontnomen om persoonlijke omstandigheden toe te lichten en onduidelijkheden weg te nemen. Zo had volgens eiseres tijdens een hoorzitting kunnen worden geverifieerd dat haar huwelijk met referent bij volmacht is gesloten en dat referent na het verkrijgen van zijn asielvergunning niet meer in Afghanistan is geweest. Eiseres betoogt dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.1.
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij op grond van artikel 7:3 van Pro de Awb van horen heeft mogen afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat in bezwaar duidelijk was dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag en het horen kon daarom niet tot een andersluidend besluit leiden. Uit interne informatie blijkt namelijk dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste, wat volgens de minister zelfstandig tot een afwijzing van de aanvraag zou leiden. Het horen over de andere onderwerpen, zoals het gestelde huwelijk, voegt volgens de minister daarom niets toe. Daarnaast stelt de minister dat eiseres in de aanvraagfase meerdere malen is verzocht om ontbrekende stukken over te leggen. Volgens de minister gaat het te ver om in de bezwaarfase nogmaals te vragen om ontbrekende stukken.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat van horen in bezwaar mag worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [2] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet met deze uitzondering terughoudend worden omgegaan. [3] Het horen is het uitgangspunt, met name in zaken waarin sprake is van beslissingsruimte en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, waaronder zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. In de situatie dat een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er, om welke reden dan ook, nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, komt volgens de Afdeling bijzonder belang toe aan het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord. Als alle mee te wegen omstandigheden wijzen op een twijfelgeval, moet een vreemdeling worden gehoord.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar nieuwe informatie en bewijsstukken heeft overgelegd en uitdrukkelijk heeft verzocht om in persoon te worden gehoord. Dit gaat om een volledige kopie van de originele huwelijksakte in de Engelse taal, een schriftelijke verklaring van de Afghaanse ambassade waarin dit huwelijk wordt bevestigd en stukken met betrekking tot het inkomen van referent, waaronder een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat in bezwaar geen sprake is van herhaling van zetten, nu het bezwaarschrift nieuwe bewijsstukken bevat (zie onder 4.3). Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat bij de minister vragen en onduidelijkheden bestonden. Zo heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het inkomen van referent niet beoordeeld kan worden vanwege het ontbreken van bewijsstukken. Daarnaast is de minister voorbijgegaan aan de wel overgelegde arbeidsovereenkomst en de werkgeversverklaring. Verder heeft de minister het gestelde huwelijk niet aannemelijk geacht, omdat slechts een vertaling van de huwelijksakte zou zijn overgelegd, zonder te verifiëren of dit juist was. Eiseres heeft namelijk op de zitting toegelicht dat het om een originele akte in de Engelse taal gaat, en niet om een vertaling. Ook heeft de minister gesteld dat referent voor het huwelijk naar Afghanistan is gereisd, zonder hierover nadere toelichting te vragen, en is hij voorbijgegaan aan de schriftelijke verklaring van de Afghaanse ambassade. Hoewel eiseres in de aanvraagfase twee keer is verzocht om ontbrekende stukken over te leggen en in bezwaar geen loonstroken van referent heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat er nog te veel vragen en onduidelijkheden bestonden die niet door de minister zijn opgehelderd. Over zowel de ontbrekende als de overgelegde stukken had de minister tijdens een hoorzitting nadere vragen kunnen en moeten stellen. Een hoorzitting kan juist uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen.
4.5.
Gelet op het voorgaande was het bezwaar volgens de rechtbank niet evident kennelijk ongegrond. Dat de minister stelt dat alleen al het niet voldoen aan het middelenvereiste voldoende was voor de afwijzing, neemt niet weg dat ook over dit punt en daarnaast over de huwelijksband en de belangenafweging nadere vragen en onduidelijkheden bestonden. Onder deze omstandigheden had de minister eiseres in persoon moeten horen. Door dit na te laten heeft de minister gehandeld in strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb. De beroepsgrond slaagt.
De andere beroepsgronden tegen de afwijzing van de aanvraag
5. Zoals uit overweging 4.5 blijkt heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. Gelet op wat eiseres in haar gronden naar voren heeft gebracht kan de uitkomst van de hoorzitting mogelijk van invloed zijn op het standpunt van de minister of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en referent. Dit oordeel maakt dat de andere beroepsgronden niet meer besproken worden. De rechtbank gaat daarom nu niet in op wat eiseres naar voren heeft gebracht over de gestelde huwelijksband, het middelenvereiste en de gemaakte belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase in strijd met artikel 7:3 van Pro de Awb is afgezien van het horen van referent. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken. De rechtbank ziet geen grond om zelf in de zaak te voorzien, omdat de hoorzitting wellicht tot een ander besluit van de minister kan leiden (zie onder 5).
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 21 augustus 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3844 en ABRvS 21 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:183.
2.Dit volgt uit artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
3.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.