ECLI:NL:RBDHA:2026:2712
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek consulaire bijstand bij verlaten Gaza geen besluit in zin Awb
Verzoekster, een staatloze Palestijnse met een mvv-inwilliging voor studie, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza om haar mvv-sticker op te halen in Amman. Verweerder wees dit verzoek af omdat verzoekster niet tot de drie groepen behoort die voor consulaire bijstand in aanmerking komen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro betreft.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verlenen van consulaire bijstand een discretionaire, feitelijke handeling is zonder publiekrechtelijk rechtsgevolg, en dat de afwijzing daarvan geen besluit is. Ook is geen sprake van een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 die gelijkgesteld kan worden met een beschikking.
Verzoekster stelde dat sprake is van een uitzonderlijk geval en dat verweerder in het verleden wel consulaire bijstand verleende aan vergelijkbare groepen, maar de rechter achtte dit onvoldoende om het verzoek als besluit aan te merken. De schrijnende humanitaire situatie in Gaza rechtvaardigt geen andere beoordeling.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Verzoekster wordt geadviseerd zich tot de civiele rechter te wenden indien zij onzorgvuldigheid vermoedt.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D.C. Laagland en griffier R.J.P. Lindhout op 16 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van consulaire bijstand wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.