Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin een eiser beroep had ingesteld tegen een verlengingsbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit, genomen op 3 maart 2025, verlengde de termijn voor overdracht aan Bulgarije tot achttien maanden op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft en in Nederland asiel had aangevraagd, was inmiddels in de nationale asielprocedure in Zwitserland opgenomen. De rechtbank oordeelde dat eiser geen actueel en reëel belang meer had bij de beoordeling van het bestreden besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Ondanks de niet-ontvankelijkheid werd de minister wel veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934. De rechtbank benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag op 14 februari 2025 van rechtswege op Zwitserland was overgegaan, waardoor Bulgarije niet langer als verantwoordelijke lidstaat kon worden aangemerkt. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Raad van State.