ECLI:NL:RBDHA:2026:2496

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel bewaring vreemdeling met Algerijnse nationaliteit

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 25 januari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd vanwege risico op onttrekking aan toezicht en noodzaak tot vaststelling van identiteit en nationaliteit.

Eiser betwistte de gronden van de bewaring, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. De rechtbank vond dat een lichter middel niet doeltreffend was, mede gelet op eerdere onttrekkingen en de medische situatie van eiser.

Verder stelde eiser dat er geen zicht was op uitzetting binnen redelijke termijn en dat de asielprocedure niet voortvarend werd behandeld. De rechtbank volgde vaste jurisprudentie dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring en dat verweerder voldoende voortvarend handelt.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4251

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 28 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier dezelfde dag op gereageerd. De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
  • 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen ongemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen.
Lichter middel
4. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij kampt met gezondheidsklachten. Daarnaast weigert hij niet om informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is hij eerder meermaals met onbekende bestemming vertrokken. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Ook is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Zicht op uitzetting - Voortvarend handelen
6. Verder voert eiser aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt, omdat hij niet beschikt over reis- of identiteitsdocumenten. Daarnaast wordt niet met de vereiste voortvarendheid gewerkt aan de afronding van zijn asielprocedure.
7. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. [5] Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. [6] Nu die termijn nog niet is verstreken, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om tot afronding van zijn asielaanvraag te komen.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553.
6.ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157; ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2666; ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777.