Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, kreeg in 2012 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze vergunning werd ingetrokken per 12 april 2023 omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland, namelijk in België, had gevestigd. Tevens werd zijn aanvraag tot vernieuwing van het verblijfsdocument afgewezen. Eiser diende daarna een aanvraag in voor verblijf bij zijn echtgenote, welke werd afgewezen wegens ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Eiser voerde aan dat zijn verblijf in België tijdelijk was vanwege woningnood in Nederland en dat hij de intentie had terug te keren. Hij stelde dat zijn verblijf in België niet als duurzame vestiging moest worden gezien en verwees naar zijn inschrijving in de Nederlandse basisregistratie personen (BRP) en zijn sociale en economische banden met Nederland. Verweerder stelde dat eiser meerdere verblijfsaanvragen in België had ingediend en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf niet had verplaatst.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiser meer dan zes maanden buiten Nederland verbleef en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de overschrijding te wijten was aan omstandigheden buiten zijn schuld. De intentie van eiser om in Nederland te blijven werd onvoldoende onderbouwd. Daarnaast werd vastgesteld dat eiser inmiddels rechtmatig verblijf geniet als EU/EER-gemeenschapsonderdaan, waardoor het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk werd verklaard wegens ontbreken van procesbelang.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de aanvraag niet in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro en dat verweerder geen aanleiding had om af te wijken van het beleid. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.