Art. 12 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening
Eiseres, een Chinese nationaliteit, diende op 12 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Frankrijk had haar eerder een visum verleend dat minder dan zes maanden verlopen was bij de aanvraag. Nederland verzocht Frankrijk om de asielaanvraag over te nemen, wat werd geaccepteerd. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens artikel 30 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening.
Eiseres voerde aan dat Italië verantwoordelijk zou moeten zijn omdat zij met een Frans visum naar Italië reisde en dat de opvang in Frankrijk ontoereikend is, met verwijzing naar AIDA-rapporten. Ook stelde zij dat haar psychische kwetsbaarheid een onevenredige hardheid oplevert. De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit voldoende motiveerde en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt.
De rechtbank verwierp het beroep omdat eiseres onvoldoende aannemelijk maakte dat overdracht aan Frankrijk een reëel risico op schending van fundamentele rechten inhoudt. Ook de psychische klachten van eiseres rechtvaardigen geen uitzondering. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag blijft in stand.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55265
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra)
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.55266), op 18 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen Y. He. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres heeft de Chinese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 12 juli 2025 ingediend.
1.1.
Uit EU-Vis is gebleken dat Frankrijk aan eiseres een visum heeft verleend van 24 mei 2025 tot 8 juli 2025. Het visum was minder dan 6 maanden verlopen ten tijde van de asielaanvraag in Nederland. Op 27 augustus 2025 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit verzoek op 27 augustus 2025 aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig gemotiveerd heeft door niet te specificeren welke onderbouwing uit het voornemen deel uitmaakt van het bestreden besluit. Ook moet de term ‘lidstaat’ uit artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening beperkt uitgelegd worden. Nu eiseres met een Frans visum naar Italië gereisd is en zij niet in Frankrijk verbleef, gaat het in deze zaak om Italië. Daarnaast is in Frankrijk sprake van mensenschendingen in de opvangfaciliteiten. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar het AIDA-rapport, update 2021, en het AIDA-rapport, update 2023 (de AIDA-rapporten). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft weliswaar geoordeeld dat het gebrek aan opvang niet structureel is in Frankrijk, maar kwam hier in het geval van België voor alleenstaande mannen ook op terug. Verweerder moet hier een eigen oordeel over geven. In Frankrijk is het krijgen opvang ook lastig voor een alleenstaande vrouw, zo blijkt uit de AIDA-rapporten. Het is in strijd met de menselijke waardigheid en ook onevenredig hard om eiseres over te dragen aan Frankrijk. Uit het medisch dossier van eiseres volgt verder dat zij meerdere traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt, en als gevolg hiervan last heeft van verschillende psychische klachten.
Beoordeling van het beroep
Motivering bestreden besluit
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit voldoende gemotiveerd door ook te verwijzen naar het voornemen. Het voornemen maakt deel uit van het bestreden besluit en het bestreden besluit gaat nader in op de door verweerder genoemde onderbouwingen in het voornemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag overdrachtsbesluit
5. Wanneer de verzoeker houder is van een geldige verblijfstitel is de lidstaat die deze titel heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit volgt uit artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. De lidstaat die eiseres een verblijfstitel heeft verschaft is Frankrijk, dit is niet in geschil (Frankrijk heeft eiseres een visum verleend). De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de uitleg van de term ‘lidstaat’ in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening er in deze zaak toe leidt dat Italië verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag. Het visum dat door Frankrijk aan eiseres is verleend heeft haar toegang
verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. Dat de lidstaat waar zij de Europese Unie binnenkwam niet Frankrijk was, maar Italië, maakt niet dat niet aan de voorwaarden van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is voldaan. Italië valt ook onder de term ‘een’ lidstaat. Uit artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening volgt niet dat de toegang verschaffende lidstaat ook de lidstaat moet zijn die het visum heeft afgegeven. Gelet hierop is Frankrijk verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiseres. Die verantwoordelijkheid hebben de Franse autoriteiten geaccepteerd met het claimakkoord van 27 augustus 2025.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Bij de toepassing van de Dublinverordening mag verweerder uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552en 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag (blijven) uitgaan. Eiseres heeft onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om hier nu anders over te oordelen. Dat eiseres een alleenstaande vrouw is, is hiervoor niet genoeg. Eiseres heeft verwezen naar twee passages uit de AIDA-rapporten waaruit blijkt dat zowel alleenstaande mannen als vrouwen problemen kunnen ondervinden met toegang tot opvang in Frankrijk omdat de nadruk bij gezinnen ligt. Hieruit volgt echter niet dat op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 vanPro het EU Handvest of artikel 3 vanPro het EVRM. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraken van 30 augustus 2024 en 11 april 2025 zijn de opvangproblemen daarvoor niet structureel en ernstig genoeg. Het feit dat de Afdeling wel eens terug komt op haar oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel – zoals ten aanzien van alleenstaande mannen in Dublin-België zaken – leidt ook niet tot een ander oordeel. Zo’n ander oordeel wordt meestal wordt ingegeven door een beroep op nieuwe informatie. Daarvan is hier geen sprake (zoals hiervoor overwogen).
6.1.
Als eiseres na haar overdracht vindt dat de Franse autoriteiten hun verplichtingen niet nakomen, ligt het op haar weg om daarover in Frankrijk te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen in Frankrijk voor Dublinclaimanten in het algemeen of voor haar specifiek niet kan of zinloos is. Verder geldt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag.
Onevenredige hardheid
7. Tijdens de zitting heeft eiseres bevestigd dat zij heeft verwezen naar haar psychische kwetsbaarheid in het kader van de onevenredige hardheid van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Zij heeft in beroep medische informatie overgelegd en gesteld dat zij als gevolg van traumatische gebeurtenissen last heeft van herbeleving, slecht slapen, somberheid, een onveilig gevoel en een angstig gevoel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit geen aanleiding hoefde te geven de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken. Verweerder mag er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat de medische zorg
7.1.
in Frankrijk vergelijkbaar is met die in Nederland en dat eiseres daar dus ook de benodigde (psychische) zorg zal kunnen ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen nakomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag of dat overdracht in strijd is met artikel 1 vanPro het Handvest. Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 aan zich te trekken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.