ECLI:NL:RBDHA:2026:2165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/4010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Richtlijn 2003/109/EGArt. 3.127 VreemdelingenbesluitArt. 4:84 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning langdurig ingezetene na verblijf buiten EU langer dan 12 maanden

Eiser, afkomstig uit Kaapverdië, woonde van zijn negende tot zestiende in Nederland met een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Op zijn zestiende werd hij door zijn vader tegen zijn wil meegenomen naar Kaapverdië, waardoor hij langer dan twaalf maanden buiten de EU verbleef. Verweerder trok daarop zijn verblijfsvergunning in. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat zijn situatie een uitzonderlijke reden vormde om niet in te trekken, mede omdat hij inmiddels verblijfsrecht had op grond van verblijf bij zijn moeder in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de intrekking handhaafde, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en de omstandigheden van zijn minderjarigheid en gezag van zijn vader geen specifieke of uitzonderlijke reden vormen in de zin van artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG. De rechtbank benadrukte dat de discretionaire bevoegdheid van verweerder terughoudend wordt getoetst en dat verweerder de beslissing deugdelijk had gemotiveerd.

Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder terecht geen hoorplicht had toegepast bij het bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De gevolgen van de intrekking voor eiser, zoals het opnieuw moeten doorlopen van de termijn voor naturalisatie, werden wel erkend maar konden niet leiden tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens verblijf buiten de EU langer dan twaalf maanden en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4010

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Eiser is afkomstig uit Kaapverdië. Vanaf zijn negende tot zijn zestiende woonde hij in Nederland bij zijn vader, zijn moeder woonde nog in Kaapverdië. Eiser had een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Op zijn zestiende is eiser door zijn vader verplicht om mee terug te gaan naar Kaapverdië. Daardoor is eiser tegen zijn uitdrukkelijke wens in langer dan een jaar niet in Nederland geweest. Om die reden heeft verweerder eisers verblijfsvergunning ingetrokken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met dit besluit van verweerder. Daarom heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiser vindt dat verweerder eisers verblijfsvergunning vanwege eisers uitzonderlijke omstandigheden niet had mogen intrekken.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verweerder heeft op 24 november 2023 eisers verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ingetrokken. Met het bestreden besluit van 22 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser heeft de Kaapverdische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2003. Hij woonde vanaf zijn negende tot zijn zestiende jaar in Nederland bij zijn vader. Eiser had een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. [1] Bij besluit van 24 november 2023 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning ingetrokken, omdat eiser op 15 mei 2021 uit Nederland is vertrokken en vervolgens langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden buiten het grondgebied van de Europese Unie (EU) heeft verbleven. Op 22 december 2023 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij als zestienjarige tegen zijn wil met zijn vader moest mee (terug)verhuizen naar Kaapverdië. Eiser wilde direct terugkeren naar Nederland, maar zijn vader had zijn paspoort en verblijfsdocumenten ingenomen. Daarom kon eiser niet binnen een jaar terugkeren naar Nederland. Op 8 februari 2024 heeft eiser verblijfsrecht gekregen op grond van verblijf bij zijn moeder, die sinds september 2022 in Nederland woonachtig is. Verweerder had deze omstandigheden daarom moeten aanmerken als een specifieke of uitzonderlijke reden in de zin van artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG (de Richtlijn) [2] .
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Zoals verweerder ook in het primaire besluit heeft overwogen, voldoet eiser niet langer aan de voorwaarden voor een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene, omdat hij is teruggegaan naar Kaapverdië en langer dan twaalf maanden buiten het grondgebied van de Europese Unie heeft verbleven.
4.1.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij rekening heeft gehouden met artikel 9 van Pro de Richtlijn, maar dat blijft staan dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. De omstandigheden die eiser hiertoe aanvoert, maken dit niet anders. Eiser was minderjarig toen hij terugging naar Kaapverdië. Hij stond onder het gezag van zijn vader. Dat eiser samen met zijn vader naar Kaapverdië is geëmigreerd, is daarom geen specifieke of uitzonderlijke reden als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Richtlijn. Verweerder merkt hierbij op dat eisers moeder tot september 2022 in Kaapverdië woonde, maar daarna naar Nederland is verhuisd. Na haar komst in Nederland heeft eisers moeder een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor eiser ingediend, welke is ingewilligd. Op dit moment is eiser dus in het bezit van een geldige verblijfsvergunning voor Nederland.
Had verweerder op grond van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn af moeten zien van het intrekken van eisers verblijfsvergunning?
5. Eiser voert aan dat zijn verplichte terugkeer als zestienjarige naar Kaapverdië aan te merken is als een specifieke of uitzonderlijke reden in de zin van artikel 9, tweede lid van de Richtlijn, want eiser wilde dit niet maar had geen keus door zijn minderjarigheid. Eisers vader heeft eisers paspoort en verblijfsdocumenten steeds achtergehouden, waardoor eiser niet binnen een jaar terug kon keren naar Nederland. Ter zitting heeft eisers gemachtigde erop gewezen dat hoewel eiser inmiddels weer in Nederland is en per 8 februari 2024 een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van verblijf bij zijn moeder, hij zijn verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kwijt is. Daardoor duurt het nu langer voordat hij het Nederlanderschap kan krijgen, omdat de daarvoor geldende termijn van vijf jaar opnieuw is gaan lopen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij graag de opleiding tot politieagent wil volgen, maar dat dat door de intrekking niet kan, omdat hij daarvoor een Nederlands paspoort nodig heeft.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder in redelijkheid had moeten afzien van intrekking en overweegt hiertoe als volgt. Niet in geschil is dat eiser langer dan een aaneengesloten periode twaalf maanden buiten het grondgebied van de EU heeft verbleven. Ook is niet in geschil de reden voor eisers vertrek, namelijk dat hij mee moest naar Kaapverdië met zijn gezaghebbend ouder. De rechtbank stelt voorop dat artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn een discretionaire bevoegdheid van verweerder is. Dat betekent dat de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen. Enkel als de rechtbank concludeert dat verweerder niet in redelijkheid zijn besluit heeft kunnen nemen, kan de beroepsgrond slagen. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 3.127 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). In het eerste lid van dit artikel zijn vier uitzonderingen neergelegd op grond waarvan de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen niet wordt ingetrokken, ondanks dat de langdurig ingezetene langer dan twaalf maanden aaneengesloten buiten de EU heeft verbleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiser geen sprake is van één van de uitzonderingen uit dit artikellid. Dit bestrijdt eiser ook niet. Vervolgens heeft verweerder getoetst aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zich op het standpunt gesteld dat er ook op grond van dit artikel geen reden is om af te wijken van de beleidsregel en de verblijfsvergunning toch niet in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 3.127 van het Vb een uitwerking van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn. Met zijn toetsing aan artikel 3.127 van het Vb en aan artikel 4:84 van Pro de Awb heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn niet gebruikt en ook overigens geen reden ziet om niet tot intrekking in te gaan. De rechtbank overweegt verder dat artikel 3.124 van het Vb, waarnaar eisers gemachtigde ter zitting heeft verwezen, niet ziet op de intrekking van een verblijfsvergunning, maar op verlenging van een verblijfsrecht voor een langdurig ingezetene. Dat is hier niet aan de orde.
5.2.
De rechtbank gaat net als verweerder uit van de juistheid van de stelling dat eiser niet met zijn vader mee had willen verhuizen terug naar Kaapverdië. Dit neemt alleen niet weg dat eiser ten tijde van zijn vertrek uit Nederland minderjarig was en onder gezag van zijn vader stond. Dat een minderjarige onder gezag van een ouder staat en die ouder voor het kind een (internationale verhuis)beslissing mag nemen, ook als deze tegen de wens van het kind ingaat, is een gegeven, zodat verweerder dit als niet uitzonderlijk heeft kunnen beschouwen. Ter zitting heeft eiser voor het eerst benoemd dat de gevolgen van de intrekking voor hem heel groot zijn, omdat hij de politieopleiding in Nederland wil gaan doen en hij daarvoor Nederlander moet zijn. Door de intrekking is de vijfjaarstermijn voor het Nederlanderschap opnieuw gaan lopen. Zonder intrekking zou die termijn al zijn verstreken en had hij het Nederlanderschap al kunnen aanvragen. De rechtbank begrijpt dat dit verstrekkende gevolgen zijn voor eiser, maar constateert dat eiser dit argument pas op de zitting naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft met dit argument in de besluitvorming daarom geen rekening kunnen en hoeven houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eiser moeten horen?
6. Eiser voert aan dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Verweerder mocht geen toepassing geven aan artikel 7:3, onder b, van de Awb. Hiervoor geldt immers het vereiste van kennelijkheid. Het bezwaarschrift bevat nieuwe informatie en argumenten tegen de primaire beslissing, zodat geen sprake is van kennelijkheid.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022 heeft de Afdeling zich uitgesproken over hoe de hoorplicht moet worden toegepast in vreemdelingenzaken. [3] De Afdeling heeft overwogen dat verweerder ingevolge artikel 7:2 van Pro de Awb een wettelijke plicht heeft om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen. Van het horen in bezwaar kan verweerder vanwege een aantal redenen afzien, welke uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van Pro de Awb. Ingevolge artikel 7:3, onder b, van de Awb kan worden afgezien van de hoorplicht als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste Afdelingsjurisprudentie volgt dat hiervan sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. [4] Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure is. Daarom is het horen de regel en moeten de uitzonderingsgronden terughoudend worden toegepast.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in eisers geval kon menen dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet kan leiden tot een andersluidend besluit. In bezwaar heeft eiser aangegeven dat hij meerdere jaren als minderjarige in Nederland heeft gewoond, dat hij tegen zijn wil is meegenomen naar Kaapverdië en zijn vader zijn paspoort en verblijfsdocument onder zich heeft gehouden, waardoor eiser niet in staat was zelfstandig binnen één jaar naar Nederland terug te keren. Deze informatie was verweerder al bekend tijdens het primaire besluit en heeft verweerder daar ook bij betrokken. Verweerder heeft daarom het bezwaar van eiser ongegrond kunnen verklaren zonder hem eerst te horen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7.1.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Voetnoten

1.Verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene conform Richtlijn 2003/109/EG.
2.Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:2564.