ECLI:NL:RBDHA:2026:2140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.52386
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 4:17 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiseres, een Marokkaanse vrouw, verzocht om een visum kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door de IND afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over haar voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko.

Eiseres voerde aan dat zij sociaal geworteld is in Marokko, een studie volgt en familiebanden onderhoudt. Ook stelde zij dat de economische binding met Marokko blijkt uit haar studie en bankafschriften. De rechtbank oordeelde echter dat deze elementen onvoldoende objectief en samenhangend waren onderbouwd. De aanwezigheid van haar echtgenoot in Nederland en het ontbreken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Marokko versterkten de twijfel over haar terugkeer.

De rechtbank bevestigde dat de IND een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de weigeringsgrond van redelijke twijfel over terugkeer zelfstandig de afwijzing kan dragen. Daarnaast werd geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht en bestuurlijke dwangsom terecht niet van toepassing waren.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
de minister van Buitenlandse Zaken,
namens deze de procesvertegenwoordiger: de IND,verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en de gemachtigde van eiseres. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 21 februari 2024 heeft eiseres verweerder verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot, [referent] (referent), in Nederland te bezoeken. Eiseres en referent zijn getrouwd op 8 maart 2024.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van sociale en economische binding met Marokko.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Ten aanzien van de sociale binding voert eiseres aan dat zij een 52-jarige vrouw is die al haar hele leven in Marokko woont, daar sociaal geworteld is en een studie volgt. Uit jurisprudentie blijkt dat langdurig verblijf een zwaarwegende indicatie is voor sociale binding. [1] De omstandigheid dat eiseres studeert, duidt op een actieve investering in haar persoonlijke en professionele ontwikkeling in Marokko. Ook onderhoudt zij contact met haar broer en zussen die in Marokko wonen. Het enkele feit dat zij geen zorgrelatie met hen heeft, is geen reden om de familiebanden te negeren. Ook heeft verweerder onvoldoende waarde gehecht aan de medische stukken van referent. Ten aanzien van de economische binding voert eiseres aan dat zij meerdere bewijsmiddelen heeft overgelegd om haar studie in Marokko nader te onderbouwen. Eiseres wijst in dit verband op een uitspraak waarin is geoordeeld dat er geen algemene regel bestaat dat het volgen van een studie nooit als economische binding zou kunnen worden aangemerkt. [2] Over de bankafschriften voert eiseres aan dat het in Marokko gebruikelijk is dat geld via contante stortingen wordt beheerd. Het saldo op de bankafschriften toont aan dat eiseres over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te voorzien in haar levensonderhoud. [3] Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de Marokkaanse gebruiken, want eiseres woont bij familieleden en zij heeft daardoor geen vaste lasten en de kosten van het levensonderhoud zijn een stuk lager in Marokko. Verweerder heeft de voorgaande factoren ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld, waardoor het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Weigeringsgrond
5. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. [5] De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
Eén van de gronden waarop verweerder een visum kan weigeren is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek van de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, diens persoonlijke omstandigheden, met name diens gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat. [6]
5.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres enige sociale binding met Marokko heeft, maar dat dit onvoldoende garantie is voor haar tijdige terugkeer. Weliswaar woont eiseres al haar hele leven in Marokko en wonen haar broer en zussen in Marokko, maar verweerder heeft hier tegenover kunnen stellen dat de echtgenoot van eiseres in Nederland woont, waardoor er ook een wezenlijke sociale binding met Nederland bestaat. Verder is niet gebleken dat eiseres zorg heeft voor familieleden of in staat is om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen om tijdig naar het land van herkomst terug te keren. De beroepsgrond dat referent medische problemen heeft, doet aan het voorgaande niet af nu dat niets zegt over de sociale binding van eiseres met Marokko en in deze beoordeling daarom niet van belang is.
5.3.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende economische binding heeft met Marokko. Het is aan eiseres om dit met stukken te onderbouwen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiseres onvoldoende objectief verifieerbare stukken heeft overgelegd om aan te tonen dat zij daadwerkelijk een studie rechten volgt en wat haar studievoortgang is. Ten aanzien van de examenlijst van eiseres die in beroep is overgelegd, overweegt de rechtbank dat – wat ook zij van de informatie die uit die lijst zou moeten blijken – zij haar overwegingen alleen baseert op feiten en omstandigheden die bestonden bij het nemen van het bestreden besluit. [7] Ook heeft verweerder in zijn beoordeling mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in haar onderhoud te voorzien. Wat betreft het bankafschrift waarop stortingen zijn te zien is, ook met de – niet onderbouwde – toelichting dat het de algemene betalingspraktijk is in het gebied waarin zij woont dat betalingen contant plaatsvinden, onvoldoende onderbouwing van een stabiel en regelmatig inkomen om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien. Eiseres heeft verder nagelaten om met stukken te onderbouwen dat het de algemene betalingspraktijk is in het gebied waarin zij woont dat betalingen contant plaatsvinden. Tot slot zijn heeft eiseres bij de aanvraag en in bezwaar geen aanvullende stukken overgelegd die een economische binding met Marokko kunnen aantonen.
5.4.
Gelet op het bovengenoemde heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding met Marokko heeft dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.
5.5.
Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeven de andere weigeringsgronden geen bespreking.
Kennelijk ongegrond, hoorplicht en bestuurlijke dwangsom
5.6.
Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat deze zaak te complex en te omvangrijk is om het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren en af te zien van de hoorplicht. Eiseres kan zich er dan ook niet in vinden dat verweerder om die reden geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd is. Hierover overweegt de rechtbank dat van de hoorplicht pas mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een andersluidende conclusie dan het primaire besluit kan leiden. Gelet op alle in bezwaar beschikbare informatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren en geen hoorzitting met eiseres en referent hoefde te organiseren. Op basis van de door eiseres ingebrachte stukken mocht verweerder concluderen dat reeds op voorhand geen twijfel bestond over de sociale en economische binding van eiseres met Marokko. Een hoorzitting had hierin niet tot andere conclusies geleid. Bovendien heeft eiseres pas op de zitting een beroep op de hoorplicht gedaan en heeft de gemachtigde van eiseres niet verduidelijkt wat eiseres bij een eventuele hoorzitting nog had willen toelichten. Verweerder heeft het bezwaar terecht kennelijk ongegrond verklaard en was daarom op grond van artikel 4:17, zesde lid van de Awb niet gehouden om een bestuurlijke dwangsom aan eiseres uit te keren. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Eiseres wijst op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2022:3755.
2.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 21 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3755.
3.Eiseres wijst op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 29 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7817.
4.Eiseres verwijst naar de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
6.Arrest Koushkaki, rechtsoverweging 68 en 69.
7.Dit wordt ook wel ex-tunc toetsing genoemd.