ECLI:NL:RBDHA:2026:2139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en weigering schadevergoeding
Eiser, een Libische nationaliteit dragende minderjarige, is op 17 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op 5 februari 2026.
Eiser betoogt dat er geen concreet zicht is op uitzetting naar Libië binnen redelijke termijn en dat hij niet kan meewerken vanwege vrees voor zijn leven. Hij stelt dat de bewaring disproportioneel is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer, waaronder het voeren van vertrekgesprekken en het verkrijgen van documenten.
De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de bewaring en het risico op onttrekking aan toezicht nog steeds van toepassing zijn. Er is geen sprake van disproportionaliteit of onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.