ECLI:NL:RBDHA:2025:25606

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.62930
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep inzake voortduren van de maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een vervolgberoep van eiser tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser, geboren in 2006 en van Libische nationaliteit, was sinds 17 november 2025 in vreemdelingenbewaring met het oog op zijn uitzetting naar Libië. Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat hij geen documenten had en de Libische autoriteiten geen laissez-passer zouden verstrekken. Hij voerde aan dat de voortduren van de maatregel niet meer gericht was op uitzetting en dat de wijze van tenuitvoerlegging onrechtmatig was, gezien de aanzienlijke beperkingen in het detentiecentrum.

De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring eerder was getoetst en rechtmatig was bevonden tot het sluiten van het onderzoek. De rechtbank concludeerde dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar Libië bestaat, ondanks de ongedocumenteerde status van eiser. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelde door regelmatig contact te onderhouden met de Libische autoriteiten en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62930

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het beroep op 30 december 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 december 2025 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 26 november 2025.
4. Eiser voert aan dat geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Libië, aangezien eiser geen documenten heeft en de Libische autoriteiten hem daarom geen lp [2] zullen verstrekken. Ook is niet gereageerd op de rappels. Eiser heeft wel alle medewerking verleend en er had een belangenafweging moeten plaatsvinden gelet op die omstandigheden. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. De standaardmatige handelingen zijn niet gericht op een effectieve uitzetting, aangezien er geen reactie op is gekomen. Het voorduren van de maatregel is dan ook niet meer gericht op de uitzetting binnen een redelijke termijn. Tot slot is de wijze van tenuitvoerlegging onrechtmatig, omdat eiser in een strikt bewaringsregime zit en aanzienlijke beperkingen heeft. Hierdoor heeft de tenuitvoerlegging een strafrechtelijk karakter gekregen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eiser verblijft sinds 17 november in vreemdelingenbewaring met het oog op zijn uitzetting naar Libië. Eiser heeft nog altijd geen rechtmatig verblijf en het risico op onttrekking aan het toezicht moet onverkort worden aangenomen. Daarbij is een lp-aanvraag ingediend en zijn vertrekgesprekken gevoerd met eiser om de uitzetting naar Libië te kunnen bewerkstelligen. De stelling dat de bewaring niet meer is gericht op de uitzetting van eiser wordt dan ook niet gevolgd.
6. Zoals eerder door de rechtbank is overwogen bestaat er in het algemeen zicht op uitzetting naar Libië binnen een redelijke termijn. De enkele omstandigheid dat eiser ongedocumenteerd is, zoals hij aanvoert, is geen reden om daaraan te twijfelen. Eiser heeft zijn stelling in dit verband ook niet verder onderbouwd. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben medegedeeld dat zij de afgifte van een lp aan eiser zullen weigeren.
7. Voor zover eiser overigens stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden heeft hij dat evenmin geconcretiseerd en onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder alsnog met een lichter middel zou moeten volstaan of een belangenafweging had moeten maken.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers vertrek. Door periodiek te rappelleren bij de Libische autoriteiten over de afgifte van een lp (het meest recente rappel dateert van 17 december 2025) en regelmatig vertrekgesprekken (het meest recente vertrekgesprek dateert van 16 december 2025) met eiser te houden handelt verweerder voldoende voortvarend.
9. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de maatregel ten uitvoer wordt gelegd in het Detentiecentrum Rotterdam, een speciale inrichting zoals bedoeld in artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn. Voor zover eiser stelt dat deze wijze van ten uitvoer leggen onrechtmatig is, heeft hij dat niet geconcretiseerd en onderbouwd.
10. Ook overigens is er geen reden om het voortduren van de bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig te achten.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 31 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Laissez-passer.