ECLI:NL:RBDHA:2026:21267

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 94 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 VbArt. 43 Procedureverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van grensdetentie asielzoeker op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet 2000

De zaak betreft een beroep van een asielzoeker tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde dat hij ten onrechte niet met een registertolk Arabisch was gehoord en dat grensdetentie niet als automatisme mag worden toegepast zonder individuele beoordeling.

De rechtbank oordeelt dat eiser wel degelijk met een registertolk is gehoord en dat de maatregel is gebaseerd op het grensbewakingsbelang, waarvoor geen risico op onderduiken vereist is. De rechtbank verwijst naar de geldende Procedureverordening en Opvangrichtlijn die de bevoegdheid tot grensdetentie in het kader van de grensprocedure bevestigen.

Verder stelt de rechtbank dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die de detentie onevenredig bezwarend maken. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40410

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 21 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 24 juli 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 27 juli 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

De door eiser aangevoerde beroepsgronden

Eiser wijst er allereerst op dat hij ten onrechte niet is gehoord met een registertolk Arabisch. Eiser betoogt verder, onder verwijzing naar drie uitspraken van zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 [1] , dat grensdetentie geen automatisme mag zijn bij de grensprocedure en moet zijn gebaseerd op een individuele op de feiten gebaseerde beoordeling. Verweerder moet motiveren waarom detentie noodzakelijk is (bijvoorbeeld omdat er een risico op onderduiken is) en mag niet volstaan met een verwijzing naar het grensbewakingsbelang. Ook had verweerder moeten beoordelen of de asielaanvraag zich wel leent voor de grensprocedure. Eiser benadrukt dat geen sprake mag zijn van grensdetentie als automatisme.

Beoordeling van de rechtbank

Deze beroepsgronden slagen niet en ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De tolk
Anders dan waar eiser van uit lijkt te gaan, blijkt uit de stukken wel degelijk dat hij is gehoord met behulp van een registertolk. [2]
De gronden van (oftewel: de redenen voor) bewaring
Eiser is als asielzoeker, die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening [3] valt, in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van artikel 6, derde lid van de Vw en artikel 5.5 van het Vb, is bij deze grondslag niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. [4]
In de sinds kort geldende Procedureverordening staat, kort gezegd, dat Nederland een asielaanvraag in de grensprocedure kan behandelen. [5] In de (nieuwe) Opvangrichtlijn staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden. [6] Hiervoor is ingevolge het Unierecht niet vereist dat sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. Zowel onder het oude als het nieuwe recht is sprake van een bevoegdheid en niet van een verplichting tot toepassing van de grensprocedure en - daarmee samenhangend - grensdetentie. In sommige gevallen is die grensprocedure thans overigens wel verplicht [7] , maar dat is in het geval van eiser niet aan de orde.
De Afdeling heeft eerder, voor de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de nieuwe Opvangrichtlijn, geoordeeld dat (de thans in artikel 5.6 van het Vb opgenomen) bewaringsgronden bij de in artikel 6, derde lid, van de Vw opgenomen grondslag alleen zijn vereist bij een Dublinclaimant op wiens asielaanvraag nog niet is beslist. [8] Een risico op onderduiken of ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting is dan ook niet vereist. Grensdetentie van een asielzoeker is geoorloofd als verweerder in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 wordt daarmee opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang. [9]
Van een wezenlijke wijziging van de, nationale of Unierechtelijke, regelgeving is in zoverre geen sprake en uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt ook niet dat zo’n wijziging is beoogd. De enkele omstandigheid dat de regelgever ter uitvoering van het Unierecht – net als onder het oude recht – ook andere keuzes had kunnen maken, betekent niet dat de wetgever dat ook had moeten doen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, in navolging van zittingsplaats Amsterdam in de door eiser ingeroepen uitspraken, af te wijken van eerdere rechtspraak.
Overigens volgt de rechtbank eiser niet dat geen sprake zou zijn van een individuele beoordeling. Dat verweerder in veel gevallen gebruik maakt van de hem gegeven bevoegdheid tot toepassing van de grensprocedure en grensdetentie betekent bovendien niet dat hiermee sprake is van een automatisme. [10] Verweerder moet immers altijd een belangenafweging verrichten, waarbij hij alle relevante individuele feiten en omstandigheden moet betrekken. [11] Deze afweging bespreekt de rechtbank hierna onder het kopje ‘lichter middel’.
Ook in dit concrete geval heeft verweerder aanleiding mogen zien om eiser in grensdetentie te stellen. Eiser voldoet immers niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd.
Anders dan eiser betoogt hoefde verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen beoordeling te maken of de maatregel zich leent voor behandeling in de grensprocedure. De Afdeling heeft meermalen overwogen dat verweerder de gelegenheid moet krijgen om onderzoek te doen, om te kunnen beslissen of het asielverzoek van de vreemdeling al dan niet (verder) behandeld kan worden in de grensprocedure. Verweerder moet een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten. Bij dat onderzoek zal een vreemdeling ten minste moeten worden gehoord over zijn asielverzoek. Het uitgangspunt is dat verweerder uiterlijk na zijn gehoor, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de grensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium relevante informatie voorhanden is. [12]
Lichter middel
Tijdens het voorafgaand aan de grensdetentie gehouden gehoor zijn aan eiser meerdere vragen over zijn gezondheid gesteld. Eiser heeft in reactie hierop aangegeven dat hij niet ziek is en geen medicatie gebruikt. Ook zijn hem vragen gesteld over eventueel in Nederland of in de Europese Unie verblijvende familie. Eiser heeft daarbij verteld dat hij een tweede vrouw in Frankrijk heeft die hem regelmatig komt bezoeken in Jordanië. Tot slot is hem gevraagd of er eventuele andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om hem niet te detineren. Daarop heeft hij geantwoord dat dergelijke omstandigheden er niet zijn en dat hij geen problemen heeft met zijn detentie.
Hiermee heeft verweerder, anders dan eiser lijkt te betogen, wel degelijk voldaan aan zijn onderzoekverplichting. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan. De maatregel van grensdetentie wordt niet opgelegd als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. [13] Verweerder heeft in de maatregel opgenomen dat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Dit is een korte (standaard)motivering, maar in het licht van eisers antwoorden op de hem gestelde vragen is deze motivering voldoende.

Conclusie

Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. [14] Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
J.J. Brands, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, 19757 en 18758.
2.Zie in zoverre het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening.
3.Iemand die wel onder deze verordening valt, werd eerder ook wel geduid als “Dublinclaimant”.
4.Dit was niet anders vóór 12 juni 2026, zij het dat dit in het Vb destijds in artikel 5.1a stond.
5.Artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Ook in de hiervoor geldende Procedurerichtlijn was sprake van een kan-bepaling (dit stond ook hier in artikel 43).
6.Artikel 10, vierde lid, onder d, van de Opvangrichtlijn. Dit verschilt niet wezenlijk van artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn (oud).
7.Artikel 45 van Pro de Procedureverordening.
8.Uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, ov. 5.
9.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, ov. 3.1.
10.Zie ook: zittingsplaats Arnhem, 13 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20523, ov. 3.3.
11.Uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:789, ov. 4.1 en van 26 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1228, ov. 3.1.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:315.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder 8.2.
14.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.