ECLI:NL:RBDHA:2026:2124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.15245
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. van der Wal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 14 VwArt. 64 VwArt. 42 VwArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag en intrekking besluit afgewezen

Eiser diende op 26 juli 2022 een asielaanvraag in die op 15 maart 2024 door verweerder werd afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Verweerder verzocht om uitstel van behandeling van het beroep voor aanvullend onderzoek, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen. Vervolgens trok verweerder het besluit van 15 maart 2024 in en kondigde aan opnieuw op de asielaanvraag te zullen beslissen.

De rechtbank behandelde het beroep als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag. Omdat verweerder het besluit had ingetrokken, was het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn had beslist en dat het niet redelijk was om van eiser te verlangen eerst verweerder in gebreke te stellen.

De rechtbank legde een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder een nieuw besluit moet nemen en bekendmaken, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, maximaal €15.000. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.401,00. De rechtbank benadrukte dat eiser na een aanvullend gehoor gelegenheid moet krijgen tot het indienen van correcties en zienswijzen.

Uitkomst: Het beroep tegen het ingetrokken besluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond en verweerder moet binnen zestien weken een nieuw besluit nemen met dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 26 juli 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 15 maart 2024 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook heeft verweerder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw krijgt. Dit besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser moet terugkeren naar Nigeria.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2024.
3. Op 6 januari 2026 heeft verweerder verzocht de behandeling van het beroep zestien weken uit te stellen om aanvullend onderzoek te doen naar de politieke overtuiging en activiteiten van eiser in Nederland en om eiser aanvullend te horen. Eiser heeft verzocht dit verzoek af te wijzen en het beroep als een beroep niet tijdig beslissen te behandelen als verweerder het besluit van 15 maart 2024 zou intrekken.
4. Op 7 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek van verweerder afgewezen. Hierna heeft verweerder het besluit van 15 maart 2024 ingetrokken en aangegeven dat opnieuw op de asielaanvraag zal worden beslist. Hij heeft ook aangeboden om € 934,00 aan proceskosten te vergoeden en aangegeven in te stemmen met een afdoening op basis van de stukken. Vervolgens heeft eiser de rechtbank (nogmaals) verzocht om het beroep als een beroep niet tijdig beslissen te behandelen, verweerder een beslistermijn op te leggen met een dwangsom en verweerder te veroordelen in de proceskosten, inclusief een extra vergoeding voor de wijziging van het petitum / het beroep niet tijdig beslissen. Eiser heeft benadrukt dat hij het beroep tegen het besluit van 15 maart 2024 niet intrekt. Eiser heeft ook aangegeven dat er voor hem en zijn gemachtigde geen aanleiding bestaat om op de zitting te verschijnen.
5. De rechtbank heeft partijen diezelfde dag laten weten dat het beroep als een beroep niet tijdig beslissen zal worden behandeld en dat er geen zitting zal plaatsvinden. De geplande zitting op 8 januari 2026 is niet doorgegaan.
6. Op 13 januari 2026 heeft verweerder nog laten weten dat hij akkoord gaat met een veroordeling in de proceskosten voor het indienen van het beroep, maar niet met een extra vergoeding voor de wijziging van het petitum / het beroep niet tijdig beslissen. Hij stelt dat het om hetzelfde beroepschrift gaat, of anders dat sprake is van samenhangende zaken.
7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten en partijen hierover bij brief van 13 januari 2026 geïnformeerd.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser
8. De rechtbank heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de berichten van eiser van 6 en 7 januari 2026, het door eiser ingestelde beroep aangemerkt als beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser.
9. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet verweerder binnen zes maanden op een asielaanvraag beslissen. In deze zaak zou die termijn dus eindigen op 26 januari 2023. Verweerder heeft deze termijn echter met negen maanden verlengd, dus moest hij uiterlijk op 26 oktober 2023 beslissen op de asielaanvraag van eiser.
10. Door op 7 januari 2026 het besluit van 15 maart 2024 in te trekken, zonder een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen, heeft verweerder niet binnen de daartoe gestelde termijn beslist. Eiser heeft verweerder weliswaar niet in gebreke gesteld, maar omdat verweerder wist dat na het intrekken van het besluit van 15 maart 2024 de situatie zou ontstaan dat op de asielaanvraag van eiser niet tijdig is beslist, was het niet redelijk om van eiser te vragen dat hij verweerder eerst in gebreke stelde (zie artikel 6:12, derde lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1120).
11. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond.
Het beroep tegen het besluit van 15 maart 2024
12. Dit beroep gaat ook over het besluit tot intrekking van het besluit van 15 maart 2024, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Eiser heeft zijn beroep tegen het besluit van 15 maart 2024 niet ingetrokken, dus moet de rechtbank daar ook over oordelen. Omdat het besluit van 15 maart 2024 door verweerder is ingetrokken, is het beroep daartegen niet-ontvankelijk. Eiser heeft immers geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit.

Beslistermijn

13. Als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en het bestuursorgaan nog geen nieuw besluit heeft bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een nieuw besluit moet bekendmaken. Volgens het derde lid van dat artikel kan de rechtbank in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen. Uit vaste rechtspraak blijkt dat die termijn niet onnodig lang mag zijn, maar ook niet onrealistisch kort (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348).
14. Verweerder heeft, als gezegd, in de brief van 6 januari 2026 aangegeven dat hij aanvullend onderzoek wil doen naar de politieke overtuiging en activiteiten van eiser in Nederland en dat hij van plan is eiser uit te nodigen voor een aanvullend gehoor. De rechtbank vindt een termijn van zestien weken niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort om zorgvuldig een nieuw besluit te nemen. Daarbij gaat de rechtbank er wel van uit dat eiser na een aanvullend gehoor de gelegenheid krijgt voor het indienen van correcties en aanvullingen, en dat hij na een kenbaar gemaakt voornemen de gelegenheid krijgt voor het indienen van een zienswijze. De rechtbank draagt verweerder daarom op binnen zestien weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van 26 juli 2022 te nemen en bekend te maken.
Dwangsom
15. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verbindt de rechtbank aan de opgelegde beslistermijn een dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom moet betalen als hij de gestelde beslistermijn van zestien weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.
Proceskostenveroordeling
16. Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond is, moet verweerder de proceskosten betalen die eiser heeft gemaakt. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.401,00. Dit legt de rechtbank hierna uit.
17. In deze zaak is formeel één beroepschrift ingediend, namelijk tegen het besluit van 15 maart 2024. Voor het indienen van dit beroepschrift wordt 1 punt toegekend, met een waarde van € 934,00 per punt en wegingsfactor 1. De rechtbank vindt het echter passend om een extra vergoeding toe te kennen voor de werkzaamheden die verband houden met het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 26 juli 2022, vanwege het intrekken van het besluit van 15 maart 2024. Hiervoor wordt een 0,5 punt toegekend, eveneens met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het gebruikelijk is om in situaties die omgekeerd zijn – eerst een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag en daarna beroepsgronden tegen het alsnog genomen besluit – ook een proceskostenveroordeling toe te kennen op basis van 1,5 punt (0,5 punt voor het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van het besluit en 1 punt voor de beroepsgronden tegen het alsnog genomen besluit als het beroep tegen het alsnog genomen besluit gegrond is, ook al is er formeel maar één beroepschrift ingediend).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 15 maart 2024;
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 26 juli 2022;
- draagt verweerder op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op deze asielaanvraag te nemen en bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.