ECLI:NL:RBDHA:2026:2104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/755
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 8:26 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gebrekkige motivering welstandsadvies bij omgevingsvergunning bouw drie woningen

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft verleend voor de bouw van drie woningen nabij molen [naam molen 1]. De rechtbank verklaart het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk en behandelt het beroep van eiser 1 inhoudelijk.

De rechtbank stelt vast dat het college niet heeft aangetoond dat het advies van de welstandscommissie voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid en motivering. Het advies bevat geen nadere toelichting op de conclusie dat het bouwplan niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand, en ook het besluit zelf bevat geen inhoudelijke welstandsbeoordeling. Hierdoor is het besluit onvoldoende gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De overige beroepsgronden van eiser 1 slagen niet, onder meer omdat deze niet aan zijn eigen belang raken of onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om binnen zes weken het gebrek te herstellen door een gemotiveerde welstandsbeoordeling te verrichten of een onderbouwd advies van de welstandscommissie te overleggen. De rechtbank zal daarna zonder tweede zitting uitspraak doen.

De rechtbank verklaart het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk en wijst erop dat tegen deze tussenuitspraak nog geen hoger beroep openstaat, maar dat hoger beroep kan worden ingesteld samen met de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de omgevingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd vanwege het ontbreken van een inhoudelijke welstandsbeoordeling en geeft het college gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/755

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1,

[eiser 2a] , [eiser 2b]en
[eiser 2c], uit [woonplaats] , eisers 2,
samen: eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: Y. Assad).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1] B.V.uit [plaats] (vergunninghoudster) en
[derde-partij 2]uit [woonplaats] ,
(gemachtigden: mr. C. Koningferander en mr. J.J. van Lint).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van drie woningen aan de [straatnaam] in [plaats] , nabij molen [naam molen 1] . Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser 1 inhoudelijk. Aan de hand van de door eiser 1 aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning op één punt niet voldoet aan de hieraan te stellen eisen. Uit de verleende omgevingsvergunning blijkt niet dat het college is nagegaan of het advies van de welstandscommissie voldoet aan de hieraan te stellen eisen. Het advies bevat geen nadere motivering van de hierin neergelegde conclusie dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand, zodat niet duidelijk is op welke informatie het advies is gebaseerd en welke afwegingen de welstandscommissie heeft gemaakt. Omdat ook in het bestreden besluit zelf geen inhoudelijke en gemotiveerde welstandsbeoordeling is gemaakt, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om het geconstateerde gebrek te herstellen. De overige beroepsgronden van eiser 1 slagen niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze tussenuitspraak is gekomen en welke gevolgen deze heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 20 december 2024 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van drie woningen aan de [straatnaam] in [plaats] , nabij molen [naam molen 1] .
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, de gemachtigde van het college en [derde-partij 2] met mr. J.J. van Lint namens vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van drie woningen aan de [straatnaam] in [plaats] , nabij molen [naam molen 1] . De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” [1] en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. [2]
3.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 28 juni 2024 heeft het college het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Er zijn zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning op 20 december 2024 aan vergunninghoudster verleend.
Toetsingskader
4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend op 6 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procedurele punten
Kunnen eisers 2 worden ontvangen in hun beroep?
5. Bij e-mailbericht van 13 februari 2025 heeft eiser 1 de rechtbank gevraagd of hij eisers 2 als gemachtigde mag vertegenwoordigen.
5.1.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eisers 2 kunnen worden ontvangen in hun beroep. De rechtbank stelt vast dat de personen die eiser 1 hebben gemachtigd niet zelf binnen de daarvoor geldende beroepstermijn beroep hebben ingesteld. Een beroep dat niet binnen de beroepstermijn aanhangig is gemaakt, zal door de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij de rechtbank van oordeel is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Een reden waarom eisers 2 niet zelf tijdig beroep hebben ingesteld, is niet gegeven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk is.
5.2.
Voor zover eiser 1 heeft verzocht om eisers 2 op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij aan het geding te laten deelnemen, geldt dat deze bepaling er niet toe strekt om een belanghebbende wiens beroep niet-ontvankelijk is dan wel wordt verklaard, in de gelegenheid te stellen als partij deel te nemen aan een door een andere belanghebbende aangespannen geding. Artikel 8:26, eerste lid, van de Awb strekt er evenmin toe dat belanghebbenden die zelf beroep hadden kunnen instellen als partij worden toegelaten. Dat betekent dat eisers 2 niet als partij aan deze procedure kunnen deelnemen.
5.3.
De rechtbank zal in het onderstaande inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eiser 1. In het vervolg van deze uitspraak wordt eiser 1 aangeduid als eiser.
Kan eiser worden ontvangen in zijn beroep?
6. De derde partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat eiser 1 geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning en dat zijn beroep daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
6.2.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft een betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van een betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [3]
6.3.
Eiser woont in een woonboot in de [watergang] op het adres [adres] . Op het naastgelegen perceel, aan de overkant van het water, is het bouwplan voorzien. De dichtstbijzijnde nieuw te bouwen woning bevindt zich op nog geen 50 meter van de woonboot van eiser. Vanuit zijn woonboot heeft eiser ook direct zicht op de locatie van het bouwplan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser gevolgen van enige betekenis ondervindt en als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb dient te worden aangemerkt. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom inhoudelijk behandelen.
Is [derde-partij 2] aan te merken als derde-belanghebbende?
7. Eiser betoogt dat [derde-partij 2] geen belanghebbende is en daarom – zo begrijpt de rechtbank – niet als partij tot het geding kan worden toegelaten.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. [derde-partij 2] is eigenaar van de gronden waarop het vergunde bouwplan is voorzien. Hij is daarmee belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning.
Gevolgen niet tijdig beslissen?
8. Eiser stelt dat het college niet binnen 26 weken op de aanvraag heeft beslist en dat deze daarom had moeten worden afgewezen.
8.1.
Dat het college niet binnen de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist, betekent niet dat het college reeds daarom de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Er is geen rechtsregel die daartoe verplicht. Het betoog slaagt niet.
Onvoldoende inspraak?
9. Eiser betoogt dat het bouwplan ten onrechte niet is besproken in de raadscommissie voor stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is eiser de mogelijkheid op inspraak ontnomen. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen is het bouwplan aangepast, maar niet opnieuw ter inzage gelegd. Ook deze omstandigheid maakt volgens eiser dat hem het recht op inspraak is ontnomen.
9.1.
De rechtbank overweegt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een aanvraag voor een bouwplan te bespreken in de raadscommissie voor stedelijke ontwikkeling van de gemeente. Niet de gemeenteraad maar het college moet op de aanvraag beslissen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet op correcte wijze heeft doorlopen. Er heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegen waartegen eiser zienswijzen heeft kunnen indienen. Van die gelegenheid heeft eiser gebruik gemaakt. Tegen het definitieve besluit is eiser in beroep gegaan. De rechtbank concludeert dat eiser daarom niet het recht is ontnomen om op te komen tegen het bouwplan. Het betoog slaagt niet.
Was een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist?
10. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het college bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen zonder een verklaring van geen bedenkingen (vggb) van de gemeenteraad.
10.1.
In dit geval heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Een dergelijke vergunning kan worden verleend nadat de gemeenteraad heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben. [4] De gemeenteraad kan echter categorieën van gevallen aanwijzen waarin een vvgb niet is vereist. [5] De gemeenteraad heeft een lijst van categorieën van gevallen vastgesteld waarvoor geen vvgb van de gemeenteraad nodig is. [6] Het college stelt zich op het standpunt dat geen vvgb nodig is, omdat de aangevraagde omgevingsvergunning past binnen de categorieën van gevallen op deze lijst.
10.2.
Volgens artikel 1, vijfde lid, van de lijst is een vvgb, voor zover hier van belang, niet vereist indien sprake is van het realiseren van minder dan tien woningen in bestaand stedelijk gebied. Volgens het elfde lid van dit artikel geldt hierop een uitzondering indien, voor zover hier van belang, tot uiterlijk vier weken na de publicatie van de aanvraag om omgevingsvergunning door of namens vijf of meer belanghebbenden (in de zin van de Awb) negatieve reacties tegen het plan worden ingediend. In die situatie is een vvgb wel vereist.
10.3.
Niet in geschil is dat het bouwplan een geval betreft zoals bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de lijst. Ter zitting heeft het college onweersproken naar voren gebracht dat vijf zienswijzen zijn ingediend naar aanleiding van het ontwerpbesluit, maar niet naar aanleiding van de aanvraag. Dat betekent dat de uitzondering uit artikel 1, elfde lid, van de lijst zich in dit geval niet voordoet en dat voor het verlenen van de omgevingsvergunning daarom geen vvgb van de gemeenteraad was vereist.
Relativiteitsvereiste
11. Eiser heeft diverse gronden aangevoerd over de molenbiotoop, het gebruik van het balkengat (een locatie naast de molen waar te zagen stammen opgeslagen worden), een aanwezige hoogspanningskabel, geluidsoverlast voor de toekomstige bewoners van de woningen en stikstof. Eiser stelt dat de nabijgelegen molen [naam molen 1] en de [naam molen 2] niet meer goed zullen draaien omdat de vrije windvang zal worden beperkt door het bouwplan. In dit verband stelt eiser zich op het standpunt dat het college ten onrechte is uitgegaan van een bouwhoogte van de woningen van 7 meter, terwijl de voorziene woningen hoger zijn en een grote schoorsteen hebben. Eiser voert verder aan dat de realisatie van de aanmeerplaatsen bij de nieuwe woningen ervoor zorgt dat de functionele invulling van het balkengat als onderdeel van houtzaagmolen [naam molen 1] wordt belemmerd. Daarnaast wijst eiser erop dat er een hoogspanningskabel onder de beoogde nieuwe woningen loopt. Eiser betoogt voorts dat de toekomstige bewoners van de woningen aan een te hoge geluidsbelasting blootgesteld zullen worden, hetgeen tot een verhoging van gezondheidsklachten kan leiden. Eiser stelt ten slotte dat de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van het bouwplan fouten bevat.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen eigenaar of exploitant van molen [naam molen 1] of de [naam molen 2] is. Eiser heeft ook niet op een andere manier rechten op de molens. De normen uit het bestemmingsplan met betrekking tot de bescherming van de (windvang van de) molens en het daarmee samenhangende gebruik van het balkengat, strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb zal de rechtbank het betoog van eiser met betrekking tot de molenbiotoop en het balkengat daarom niet bespreken. [7]
11.2.
De beroepsgrond over stikstofdepositie strandt eveneens op het relativiteitsvereiste. De bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) strekken tot bescherming van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden, niet tot bescherming van het belang van eiser bij behoud van een goed woon- en leefklimaat. Een natuurlijk persoon kan zich slechts op deze bepalingen uit de Wnb beroepen als – kort gezegd – sprake is van een voldoende verwevenheid van zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving met de belangen die de Wnb beoogt te beschermen. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden liggen op een zodanige afstand van de woonboot van eiser dat geen verwevenheid bestaat van zijn individuele belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.
11.3.
Ook de beroepsgronden over de hoogspanningskabel en de geluidsoverlast voor de toekomstige bewoners van de vergunde woningen stuiten af op het relativiteitsvereiste. Deze beroepsgronden hebben namelijk geen betrekking op het eigen belang van eiser maar op dat van de toekomstige bewoners van de drie woningen. De door eiser ingeroepen normen strekken daarmee kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen. Deze beroepsgronden kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevochten omgevingsvergunning.
Strijdigheid met het bestemmingsplan
12. Eiser betoogt dat het college niet heeft gemotiveerd welke zwaarwegende openbare belangen worden gediend met het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Eiser voert aan dat het bouwplan voor een verdere toename van verstedelijking zorgt, zonder dat daarvoor een deugdelijk beeldkwaliteitsplan is opgesteld. Het bouwplan zorgt er ook voor dat de toekomstige zogenoemde tweede groene ring niet gerealiseerd kan worden. Volgens eiser had het college daarom niet tot vergunningverlening mogen overgaan.
12.1.
Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. De betrokken gronden hebben de bestemming “Groen” met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 6” en de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone – molenbiotoop”. Ter plaatse van het bouwplan zijn ook het bestemmingsplan “Parapluplan Fietsparkeren” en het bestemmingsplan “Parapluplan stedenbouwkundige bepalingen Bouwverordening” van toepassing.
12.2.
Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” omdat op de gronden waarop het bouwplan is voorzien binnen de bestemming “Groen” geen woonfunctie is toegestaan. Verder geldt voor het oprichten van gebouwen dat deze binnen een bouwvlak dienen te worden gerealiseerd, maar ter plaatse van het bouwplan is geen bouwvlak aanwezig.
12.3.
De rechtbank overweegt dat het college de bevoegdheid heeft om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. In dit geval heeft het college toepassing gegeven aan de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo. Het college komt volgens vaste rechtspraak bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [8]
Van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken, kan het college alleen gebruik maken als de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit is toegelicht waarom afwijken van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht. Anders dan eiser veronderstelt, is geen beeldkwaliteitsplan vereist om van het bestemmingsplan te mogen afwijken. Het gaat er ook niet om of zwaarwegende openbare belangen de afwijking rechtvaardigen. Nog afgezien van het feit dat eiser zijn stelling over de tweede groene ring niet nader heeft onderbouwd, staat de realisatie daarvan nog niet vast, zodat het college daarmee ook geen rekening heeft hoeven houden. Het betoog van eiser slaagt niet.
Groenbeheer en ecologie
13. Eiser stelt dat er bomen op de locatie van het bouwplan zijn gekapt. Eiser betwijfelt of de gekapte bomen geen te beschermen natuurwaarden vertegenwoordigden. Ook stelt hij dat sprake is van achterstallig beheer van het groen op het perceel. Hierdoor wordt het zicht op molen [naam molen 1] belemmerd en wordt ook de windvang gehinderd. Daarnaast zorgt het groen voor hinder voor de pleziervaart in de [watergang] . Ook verstoort het de verbinding met de [naam molen 2] . Eiser stelt verder dat hij in zijn zienswijzen heeft gewezen op de aanwezigheid van bijzondere (broed)vogels op de locatie van het bouwplan, waaronder in het bijzonder ijsvogels en een ooievaarspaar. In de beantwoording van de zienswijzen is het college daar niet op ingegaan. Volgens eiser kan de aanwezigheid van vogels niet worden vastgesteld met een quickscan.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op het kappen van bomen dan wel het mogelijke achterstallige beheer van het huidige groen op het perceel dan wel langs de walkant. Dit zijn geen ruimtelijke aspecten waaraan het college, gelet op de afweging die het in het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft moeten maken, gewicht heeft hoeven toekennen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat wat eiser daarover heeft aangevoerd treft daarom geen doel.
13.2.
Met betrekking tot de ecologische gevolgen van het bouwplan heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van beschermingswaardige dier- en plantensoorten. De conclusie is dat het aspect ecologie de ontwikkeling niet in de weg staat.
13.3.
De rechtbank stelt vast dat de ecologische waarden in het plangebied zijn onderzocht in een ecologische quickscan die is uitgevoerd door adviesbureau GroenTeam. Hierin is vastgesteld dat in het plangebied geen condities aanwezig zijn die het gebruik door aangewezen soorten uit Natura 2000-gebieden mogelijk maken. Met het ontzien van broedende vogels en het in acht nemen van de wettelijke zorgplicht ten aanzien van alle flora en fauna, zijn er volgens de quickscan geen directe belemmeringen van toepassing. De conclusie van de quickscan luidt dat het aspect ecologie de vergunde ontwikkeling niet in de weg staat en dat een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet nodig is.
13.4.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen aansluiten bij de conclusies van de quickscan. De door eiser vragenderwijs opgeworpen stelling dat de aanwezigheid van broedvogels in het gebied mogelijk aanleiding vormt om de omgevingsvergunning in te trekken, is hiervoor niet voldoende. Eiser heeft ook geen tegenonderzoek van een deskundige overgelegd dat twijfel zaait over de bevindingen zoals die in de quickscan zijn vastgelegd. Het betoog van eiser slaagt niet.
Cultuurhistorische waarden
14. Eiser stelt dat het bouwplan ervoor zorgt dat het zicht op de monumentale molen [naam molen 1] wordt beperkt, waardoor de cultuurhistorische waarde van deze molen wordt aangetast.
14.1.
Onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing stelt het college zich op het standpunt dat er geen gevolgen zijn voor de cultuurhistorische waarden van de molen en het
molenerf. De locatie van het bouwplan bevindt zich volgens het college buiten het beschermd stadsgezicht. Ten behoeve van een goede landschappelijke en cultuurhistorische inpassing van het bouwplan, is een landschapsplan opgesteld. Een plan om het molenerf te verbeteren is hier onderdeel van. De bestaande groene oever wordt in stand gehouden.
14.2.
Nog daargelaten dat eiser heeft bevestigd dat het zicht op molen [naam molen 1] in de huidige situatie al wordt beperkt door de aanwezigheid van groen, is ter zitting aan de hand van een luchtfoto inzichtelijk gemaakt dat het bouwplan het zicht op de molen vanuit de woonboot van eiser niet belemmert. Dat de cultuurhistorische waarden van de molen anderszins worden aangetast door het bouwplan, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
Parkeren
15. Eiser stelt dat met het bouwplan te veel parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zeker nu de gemeente naar een autoluwe stad streeft. Eiser vreest dat het gebruik van de parkeerplaatsen tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat zal leiden.
15.1.
Ter plaatse van het bouwplan is het bestemmingsplan “Parapluplan stedenbouwkundige bepalingen Bouwverordening” van kracht. Op basis van dit plan moet voor het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein worden voorzien. Voor het bepalen of voldoende ruimte is aangebracht voor het parkeren van auto’s wordt gebruikt gemaakt van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden.
15.2.
Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat elke nieuwe woning zal worden voorzien van drie autoparkeerplekken op eigen terrein. Volgens het college wordt daarmee voldaan aan de voor het bouwplan geldende parkeereis.
15.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft bestreden dat aan de parkeereis wordt voldaan en dat daarmee in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voorts niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de parkeerplaatsen zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van geluidsoverlast of strooilicht van koplampen.
Het betoog slaagt niet.
Geluid
16. De rechtbank volgt eiser niet voor zover hij heeft aangevoerd dat hij geluidsoverlast zal ervaren van de toekomstige bewoners en van de te realiseren warmtepompen bij de nieuwe woningen. Eiser heeft dit betoog niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan de toelichting van het college dat het, gelet op de afstand tussen de nieuwe woningen en de woonboot van eiser en gezien het feit dat deze woonboot nabij een drukke weg ligt, niet aannemelijk is dat eiser onaanvaardbare geluidsoverlast zal ondervinden. Het betoog slaagt niet.
Gezondheid
17. Eiser stelt overlast van houtstook te verwachten, omdat de nieuwe woningen zullen worden voorzien van houtkachels. Volgens eiser kunnen open haarden de luchtkwaliteit aanzienlijk beïnvloeden, vooral in de directe omgeving tot tien meter.
17.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen landelijke regels gelden voor rook afkomstig van houtkachels. Volgens het college zegt de maatschappelijke perceptie van het stoken van hout ook niets over de bouwkundige of ruimtelijke kwaliteit van het bouwplan.
17.2.
De rechtbank stelt vast dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concrete, algemeen geldende regels voor rook afkomstig uit houtkachels golden die het college had moeten betrekken in zijn belangenafweging. Gelet hierop bestond er voor het college geen grond om de omgevingsvergunning vanwege de te verwachten rook van de houtkachels te weigeren wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening. Als het gebruik van houtkachels in de praktijk leidt tot onaanvaardbare overlast, dan is dat een handhavingskwestie. De rechtbank laat dan nog daar dat vergunninghoudster ter zitting heeft bevestigd dat de nieuwe woningen zullen worden uitgevoerd met gaskachels in plaats van houtkachels.
17.3.
Het betoog slaagt niet.
Zelfbewoningsplicht en sociale woningbouw
18. Eiser stelt dat in de gemeente een zelfbewoningsplicht geldt. In dit geval gaat vergunninghoudster drie woningen realiseren die niet voor eigen gebruik zijn. Eiser is het voorts niet eens met het standpunt van het college dat de richtlijn voor sociale verdeling niet van toepassing is vanwege het bouwvolume van het bouwplan.
18.1.
De rechtbank overweegt dat de zelfbewoningsplicht geen aspect is dat bij het bestreden besluit aan de orde kan worden gesteld, omdat deze verplichting geen rol speelt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit geldt ook voor de vraag of het bouwplan al dan niet binnen de kaders voor sociale woningbouw valt. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Redelijke eisen van welstand
19. Eiser betwist dat het bouwplan is besproken in de vergadering van de Welstands- en Monumentencommissie [plaats] (de welstandscommissie) omdat er geen verslag voorhanden is van die vergadering. Er is daarom volgens eiser geen sprake geweest van een deugdelijk bestuurlijke besluitvorming waarop hij heeft kunnen reageren. Volgens eiser voldoet het bouwplan niet aan de geldende welstandseisen.
19.1.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan is voorgelegd aan de welstandscommissie. Dit volgt uit het formulier van de welstandscommissie met als datum 22 mei 2024 dat het college tijdens de beroepsprocedure als gedingstuk heeft ingediend. Uit dit formulier volgt dat het bouwplan volgens de welstandscommissie niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en dat dit is uitgewerkt en ingediend conform het in vooroverleg geaccordeerde ontwerp.
19.2.
Het is vaste rechtspraak dat, hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, het college op een advies van de welstandscommissie mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
19.3.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit niet dat het college is nagegaan of het advies van de welstandscommissie voldoet aan de hieraan te stellen eisen. Het advies bevat geen nadere motivering van de hierin neergelegde conclusie, zodat niet duidelijk is op welke informatie het advies is gebaseerd en welke afwegingen de welstandscommissie heeft gemaakt. Omdat ook in het bestreden besluit zelf geen inhoudelijke en gemotiveerde welstandsbeoordeling is gemaakt, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Het betoog van eiser slaagt.
Overig
20. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

21. Uit wat is overwogen onder 19.3 volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het college zal nader moeten toelichten waarom het vergunde bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit kan het college doen door zelf een gemotiveerde welstandsbeoordeling te verrichten, of door overlegging van een onderbouwd advies van de welstandscommissie. De rechtbank zal het college, indien van de geboden herstelmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, hiertoe een termijn stellen van zes weken na verzending van deze uitspraak. Aan eiser zal vervolgens de gelegenheid worden geboden schriftelijk te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank vervolgens zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
22. In de einduitspraak zal de rechtbank beslissen over vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk;
  • draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze
tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en
aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 1:2, eerste lid
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Artikel 8:26, eerste lid
De bestuursrechter kan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…).
Artikel 2.12, eerste lid
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…).
Artikel 2.27, eerste lid
In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
(…).

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
3.Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2053.
4.Zie artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
5.Zie artikel 6.5, derde lid, van het Bor.
6.“Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de verklaring van geen bedenkingen (VVGB) (Lijst van categorieën waarvoor geen VVGB is vereist en delegatie exploitatieplan bij toepassing art. 2.12, lid 1, sub a onder 3º Wabo)”
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1457. In deze uitspraak wijst de Afdeling op haar uitspraak van 4 mei 2016: ECLI:NL:RVS:2016:1201, onder 3.2.
8.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1136.