ECLI:NL:RBDHA:2026:20608

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32004
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 23 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een asielzoeker uit Gambia, beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 4 van Pro het Handvest vanwege zijn eerdere dakloosheid en psychische klachten, en dat hij risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland nog steeds geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in het Duitse asiel- en opvangsysteem die een onmenselijke of vernederende behandeling zouden veroorzaken.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden betreft, werd verworpen omdat de minister de omstandigheden van eiser deugdelijk heeft beoordeeld en geen aanleiding zag om de aanvraag in Nederland te behandelen. De rechtbank volgde de jurisprudentie dat binnen de Dublinprocedure niet kan worden getoetst aan indirect refoulement tenzij het vertrouwensbeginsel faalt, wat hier niet het geval is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van de minister in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

van Gambiaanse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.32005. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen
van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 1 april 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 10 april 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, en onder d van de Dublinverordening.
Artikel 4 van Pro het Handvest [3]
5. Eiser betoogt dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Hij voert daartoe aan dat zijn Duitse verblijfsvergunning is ingetrokken, waarna hij dakloos is geworden en op straat heeft moeten leven zonder toegang tot bed, bad en brood. Volgens eiser heeft hij hierdoor psychische klachten ontwikkeld. Eiser vreest ook dat hij na overdracht opnieuw dakloos zal raken of zal worden uitgezet naar Gambia zodat sprake is van indirect refoulement. Vanwege zijn kwetsbaarheid had de minister individuele garanties bij de Duitse autoriteiten moeten vragen.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [4] In de uitspraken van 4 september 2024 [5] heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarvoor kan een vreemdeling objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Duitsland.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat ten aanzien van Duitsland nog steeds mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, vanwege de algemene situatie of zijn individuele omstandigheden, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. Daarin is eiser niet geslaagd. Dat eiser in het verleden gedurende enige tijd dakloos is geweest in Duitsland en dit als traumatisch heeft ervaren, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Eiser heeft verder geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer wederom geen toegang zal krijgen tot opvang of andere noodzakelijke voorzieningen. Evenmin heeft eiser stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Duitse asiel- en opvangvoorzieningen structurele tekortkomingen vertonen die de bijzonder hoge drempel bereiken die in het arrest Jawo zijn geformuleerd. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, dan kan hij in Duitsland opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. Mocht eiser hiermee toch problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover de Duitse autoriteiten te benaderen. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen met rechtsbijstand en opvang. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, of dat vragen om hulp bij voorbaat zinloos is. Ook de door eiser gestelde psychische klachten hebben de minister niet tot een ander oordeel hoeven leiden nu deze niet met medische stukken zijn onderbouwd. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van een bijzondere kwetsbaarheid die aanleiding geeft te twijfelen aan de mogelijkheid van Duitsland om aan eiser passende opvang of medische zorg te bieden. Dat eiser tijdens zijn verblijf in Duitsland slechte ervaringen heeft gehad, maakt niet zonder meer dat hij als Dublinclaimant risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De minister hoeft daarom geen individuele garanties bij de Duitse autoriteiten te vragen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Eiser stelt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Volgens eiser leidt overdracht aan Duitsland tot onevenredige hardheid omdat hij daar opnieuw op straat zal belanden of zal worden uitgezet naar Gambia.
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Artikel 17, eerste lid, Dublinverordening bevat een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.
Indirect refoulement
8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van
30 november 2023 [6] en de Afdeling van 12 juni 2024. [7] Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.1. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de
rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het
verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is
verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten
zij dit in het verzetschrift vermelden

Voetnoten

1.Verordening (EU). nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
4.Zie Jawo arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.ECLI:EU:C:2023:934.