ECLI:NL:RBDHA:2026:20586
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens status in Duitsland ongegrond verklaard
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het feit dat eiseres reeds internationale bescherming geniet in Duitsland sinds 21 maart 2024. Eiseres stelde dat terugkeer naar Duitsland niet mogelijk is vanwege haar zwangerschap, psychische gesteldheid en het ontbreken van adequate zorg en huisvesting, maar kon deze stellingen onvoldoende onderbouwen met objectieve medische documenten.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling die internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat een zodanige band met die lidstaat heeft dat het redelijk is om daarheen terug te keren. De minister hoeft hiervan alleen af te wijken bij bijzondere feiten en omstandigheden, welke eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het beroep op het arrest Ibrahim faalde wegens het ontbreken van medische onderbouwing.
Verder oordeelde de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt, tenzij concrete aanwijzingen het tegendeel bewijzen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland haar niet adequaat zal helpen. Ten slotte zag de rechtbank geen schending van artikel 8 EVRM Pro, mede omdat het hier ging om een niet-ontvankelijkverklaring en niet om een inhoudelijke afwijzing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring en bepaalde dat eiseres dient terug te keren naar Duitsland. Proceskosten werden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiseres moet terugkeren naar Duitsland.