ECLI:NL:RBDHA:2026:20385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL24.22884
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EG) Nr. 810/2009Art. 14 lid 6 VisumcodeArt. 51 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran

Eiseres, een Iraanse vrouw, vroeg een visum voor kort verblijf in Nederland aan om haar neef te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van sociale en economische binding met Iran en redelijke twijfel over haar terugkeer.

De rechtbank overwoog dat verweerder terecht oordeelde dat eiseres onvoldoende sociale binding heeft, gezien haar leeftijd, weduwschap en volwassen kinderen die niet afhankelijk zijn van haar zorg. Ook de economische binding was onvoldoende, omdat eiseres niet aannemelijk maakte dat zij fysiek in Iran moet verblijven om haar pensioen te ontvangen of haar onroerend goed te beheren.

Eiseres voerde aan dat zij eerder een visum kreeg en dat artikel 14 lid 6 Visumcode Pro haar betrouwbaarheid ondersteunt, maar de rechtbank stelde dat elke aanvraag op eigen merites beoordeeld moet worden. De hoorplicht werd niet geschonden omdat eiseres geen nieuwe relevante informatie aanvoerde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de visumaanvraag. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding en redelijke twijfel over tijdige terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22884

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. T. Sleeman),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag voor een visum voor kort verblijf in Nederland ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 14 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (referent) en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

(Totstandkoming van) het bestreden besluit
1.1.
Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Eiseres heeft op 31 oktober 2023 een aanvraag voor een visum voor kort verblijf in Nederland ingediend. Zij wenst verblijf bij referent, haar neef, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Referent woont in Nederland samen met zijn vrouw, dochter en moeder. De moeder van referent is tevens de zus van eiseres.
1.2.
Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van Nederland (en de andere lidstaten) voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Iran dat voldoende is gewaarborgd dat eiseres tijdig zal terugkeren naar Iran, aldus verweerder.
1.3.
In het verweerschrift heeft verweerder de afwijzingsgrond dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, laten vallen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank overweegt allereerst dat voor een kort verblijf in Nederland van maximaal 90 dagen voor een vreemdeling afkomstig uit Iran, een visum nodig is. Een visum wordt onder meer geweigerd als de vreemdeling het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode). Een visum wordt ook geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Als één van voornoemde gronden zich voordoet, is dat voldoende om het visum te weigeren. Daarbij heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge en kan de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen (zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, zaak C-84/12, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862).
In het kader van de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van het grondgebied van de lidstaten, moet verweerder kijken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder met name zijn sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. Zie voormeld arrest in de zaak van Koushkaki (punten 68 en 69).
3. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Eiseres stelt in dit verband dat zij wel voldoende sociale en economische binding met Iran heeft. Bovendien heeft zij eerder, in 1992, een visum gekregen om de referent in Nederland te bezoeken en na dat bezoek is zij toen tijdig teruggekeerd. Op grond van artikel 14, zesde lid, van de Visumcode dient de aldus gebleken betrouwbaarheid van de referent mee te wegen bij verweerders overwegingen.
De sociale binding met het land van herkomst
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres voldoende sociale binding met Iran heeft om op grond daarvan tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 62 jaar oud was, weduwe is en in Iran drie volwassen kinderen en kleinkinderen heeft wonen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat gezien de leeftijden van de kinderen verwacht mag worden dat zij niet meer afhankelijk zijn van (de zorg van) eiseres. Eiseres heeft ook niet gesteld dat zij een zorgplicht heeft jegens (één of meer van) haar kinderen in Iran. Evenmin is gesteld of gebleken dat er een zorgplicht bestaat jegens de daar woonachtige kleinkinderen. Verder is ook niet gebleken dat eiseres in Iran andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft die haar nopen tijdig naar dat land terug te keren. Verweerder heeft tegen deze achtergrond kunnen overwegen dat de omstandigheden dat eiseres een rijk sociaal leven heeft in Iran en zij daar geworteld is omdat zij daar altijd heeft gewoond, van onvoldoende gewicht zijn om te kunnen concluderen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. De enkele algemene stelling van eiseres dat familie in de Iraanse cultuur zeer belangrijk is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Eiseres heeft een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 28 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21693. Overwogen wordt dat in die zaak sprake was van een echtgenoot en meerderjarige kinderen die bij de visumaanvrager in huis woonden. De feitelijke situatie van eiseres ligt anders. Zij is weduwe en haar kinderen wonen niet bij haar in. Reeds daarom kan zij geen geslaagd beroep doen op deze uitspraak.
De economische binding met het land van herkomst
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres, om haar economische binding met Iran te onderbouwen, afschriften van bankrekeningen heeft overgelegd en bewijzen van het bezit van onroerend goed in [locatie], Iran. Niet in geschil is dat eiseres beschikt over onroerend goed in Iran. De rechtbank acht ook voldoende onderbouwd dat eiseres in Iran een ambtenaren- en een nabestaandenpensioen ontvangt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op het standpunt kunnen stellen dat eiseres met de overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dusdanig sterke economische binding met Iran heeft dat haar terugkeer op grond daarvan voldoende gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft in dit kader relevant gevonden dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres, om de pensioeninkomsten te kunnen ontvangen en toegang te hebben tot haar bankrekening, fysiek in Iran zou moeten verblijven. Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres haar onroerend goed in Iran ook vanuit het buitenland kan beheren. De stelling van eiseres dat verweerder, door bewijs van haar te verlangen dat haar fysieke aanwezigheid in Iran vereist is, een onredelijke en te hoge bewijsdrempel opwerpt, volgt de rechtbank niet. De rechtbank kan verweerder erin volgen dat voor de beoordeling van de vraag of tijdige terugkeer is gewaarborgd, wel degelijk relevant kan zijn of sprake is van omstandigheden die de fysieke aanwezigheid van een vreemdeling in het land van herkomst vereisen. Met de enkele algemene stelling van eiseres dat zij vanuit het buitenland niet aan het geld op haar Iraanse bankrekening kan komen en ook haar onroerend niet goed kan beheren, vanwege de strenge politieke sancties tegen Iran, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar pensioeninkomsten en haar onroerend goed zal moeten terugkeren naar Iran. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat haar situatie in relevante zin gelijk is aan de situatie van een vreemdeling die wel een visum heeft gekregen. Verweerder heeft hier in het verweerschrift op gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende toegelicht dat geen sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen. De vreemdeling in de andere zaak beschikte namelijk over een bestendig inkomen uit arbeid, hetgeen fysieke aanwezigheid in het land van herkomst vereiste. De feitelijke situatie van eiseres is anders. Zij verricht in Iran immers geen betaalde arbeid. Dat een baan ook kan worden opgezegd, zoals ter zitting is gesteld, maakt niet dat wel sprake is van een gelijk geval. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat dan ook niet op.
Eerder verleend visum en betrouwbaarheid garantsteller
3.3.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat iedere aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld dient te worden en dat een visumaanvrager telkens opnieuw aan alle voorwaarden voor visumafgifte moet voldoen. Hoewel eiseres in het verleden met een visum Nederland is ingereisd en verweerder niet heeft weersproken dat zij toen ook weer tijdig is teruggekeerd, wijst verweerder er terecht op dat sinds de vorige visumverlening lange tijd is verstreken, wat aannemelijk maakt dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres thans aanmerkelijk anders zijn dan de omstandigheden waaronder in 1992 een visum aan haar is afgegeven. Verweerder heeft in de eerdere visumverlening op zichzelf dan ook geen reden hoeven zien om de onderhavige aanvraag van eiseres in te willigen. Het beroep van eiseres op artikel 14, zesde lid van de Visumcode kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze bepaling schept geen verplichting voor verweerder om vrijstelling van visumvoorwaarden te verlenen in gevallen waarin eerder een visum is verstrekt waarbij dezelfde garantsteller was betrokken. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit paragraaf 5.2.3 van het besluit van de Europese Commissie van 19 maart 2010 C(2010)1620 tot vaststelling van een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa (Praktisch Handboek) volgt dat artikel 14, zesde lid van de Visumcode zo moet worden uitgelegd dat consulaten ‘bonafide’ aanvragers kunnen vrijstellen van de verplichtingen om documenten over te leggen betreffende het doel van de reis, logies en de middelen van bestaan. De mogelijkheid vrijstelling te verlenen ziet dus niet op het verstrekken van informatie op basis waarvan het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren kan worden beoordeeld. Het Praktisch Handboek vindt zijn grondslag in artikel 51 van Pro de Visumcode en bevat richtsnoeren en aanbevelingen voor de behandeling van visumaanvragen, teneinde een geharmoniseerde toepassing van de Visumcode in de lidstaten te waarborgen. Verweerder kent dan ook terecht gewicht toe aan de inhoud van het Praktisch Handboek.
Conclusie over tijdige terugkeer
3.4.
Verweerder heeft de sociale en de economische binding in samenhang bekeken en in redelijkheid het standpunt ingenomen dat de binding van eiseres met Iran onvoldoende garantie vormt dat zij tijdig naar dat land zal terugkeren.
3.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
4. Eiseres betoogt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. In visumprocedures vormt de bezwaarprocedure in de praktijk de enige mogelijkheid om het primaire besluit inhoudelijk te laten toetsen. Het lag daarom op de weg van verweerder om een hoorzitting te houden, zodat eventuele nadere garanties mondeling konden worden besproken en aanvullende bewijsstukken over de sociale en economische binding konden worden overgelegd. Ook het gegeven dat eiseres in bezwaar een vragenformulier is toegezonden waarin zij is uitgenodigd veel nadere informatie op te geven indiceert dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond kan zijn, aldus eiseres. Tot slot duidt het feit dat verweerder in de beroepsfase één van de weigeringsgronden voor het besluit heeft laten vallen, erop dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake kan zijn.
4.1.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat verweerder slechts in uitzonderlijke gevallen van het horen in bezwaar kan afzien. Hierbij is onder meer van belang hoe de vreemdeling zich heeft opgesteld in de bezwaarprocedure. Als een vreemdeling actief inspanningen heeft verricht om informatie te leveren en met verweerder heeft gecommuniceerd om informatie naar boven te krijgen, moet verweerder sneller aanleiding zien om hem te horen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van horen van eiseres of referent af kunnen zien. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de sociale en economische binding, heeft verweerder kunnen stellen dat op voorhand vast stond dat dit niet kon leiden tot een andere uitkomst. Dat eiseres informatie heeft gegeven door middel van het invullen van de aan referent toegezonden vragenlijst, laat onverlet dat reeds ten tijde van het primaire besluit al was uitgegaan van achterblijvende familieleden van eiseres in Iran en haar bezit van onroerend goed aldaar en dat bij de aanvraag ook al stukken waren verstrekt over haar pensioen. Eiseres heeft in bezwaar geen relevante nieuwe informatie verstrekt of stukken overgelegd die nieuw licht laten schijnen op haar economische en sociale binding met Iran en verweerder daarom hadden moeten nopen tot het houden van een hoorzitting. Zoals eerder vermeld volstaat iedere weigeringsgrond op zichzelf voor afwijzing van de visumaanvraag. Dat verweerder achteraf bezien de mening was toegedaan dat de weigeringsgrond over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aan eiseres tegengeworpen kon worden, maakt dus ook niet dat eiseres gehoord had moeten worden.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.