ECLI:NL:RBDHA:2026:20374

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33366
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:NL:RVS:2020:829ECLI:NL:RVS:2015:674ECLI:NL:RVS:2015:1309
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat het gehoor voorafgaand aan de bewaring onzorgvuldig was, de bewaringsgronden onterecht waren, er geen zicht was op overdracht naar Bulgarije en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat het gehoor zorgvuldig was en eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn persoonlijke omstandigheden aan te voeren. De zware gronden voor bewaring, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, waren voldoende gemotiveerd en bewezen. De rechtbank volgde eiser niet in zijn betoog dat er geen zicht was op overdracht naar Bulgarije, aangezien Bulgarije verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening.

Ten aanzien van het lichter middel stelde de rechtbank dat verweerder terecht heeft gemotiveerd waarom geen minder ingrijpende maatregel dan bewaring volstaat, mede vanwege het risico op onttrekking en de intentie van eiser om illegaal door te reizen. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33366

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen K. Duhoky. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Onzorgvuldigheid gehoor
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet zorgvuldig en onvolledig was. Het was hem onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen had kunnen aanvoeren die tot toepassing van een lichter middel konden leiden. Dit vormt een schending van het verdedigingsbeginsel, aldus eiser.
1.1.
De rechtbank volgt eisers standpunt hierin niet. Op pagina 1 van het verslag van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is vermeld dat eiser is medegedeeld dat het aan hem is om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot toepassing van een lichter middel zouden moeten leiden. Vervolgens is eiser gevraagd naar zijn familie- en gezinsleven, naar zijn medische omstandigheden en of er redenen zijn om hem niet in vreemdelingenbewaring te stellen. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid gehad om zijn belangen naar voren te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b, en de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Met betrekking tot de zware grond 3a stelt eiser dat het feit dat hij bij zijn inreis niet beschikte over een visum of paspoort niet wil zeggen dat hij onrechtmatig Nederland is ingereisd, aangezien hij hier is gekomen om asiel aan te vragen. Eiser stelt over zware grond 3b dat hij zich niet bewust was van zijn rechten en plichten. Hij is zich nu bewust van zijn meldplicht. Ten aanzien van de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij geen Nederlands spreekt. Hij heeft zich niet met opzet niet gemeld bij de Korpschef van zijn illegaal verblijf. Wat betreft lichte grond 4c betoogt eiser dat hij een woonplaats heeft in het COA, aangezien hij asiel heeft aangevraagd. Ten slotte betoogt eiser over lichte grond 4d dat hij geld krijgt van zijn familie, zodat hij beschikt over voldoende middelen. Daarbij komt dat hij door zijn asielaanvraag ook in aanmerking zou moeten komen voor vergoedingen.
2.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware gronden 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Eiser heeft verklaard dat hij zonder paspoort of identiteitspapieren de Europese Unie is ingereisd. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Daarnaast heeft eiser zich bij aankomst in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld aangaande zijn onrechtmatig verblijf. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3b dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
2.3.
De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en in samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
3. Eiser voert aan dat er in zijn situatie geen zicht is op uitzetting. Hij heeft geen uitzicht op vrijlating of duidelijkheid over zijn toekomst.
3.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Niet is weersproken dat Bulgarije op grond van de Dublin-overeenkomst verantwoordelijk is voor eiser. Eiser heeft asiel aangevraagd in Bulgarije. Deze aanvraag is afgewezen en er is een terugkeerbesluit opgelegd door de Bulgaarse autoriteiten. Er ligt inmiddels een claimverzoek, maar deze was ten tijde van de zitting nog niet verstuurd naar Bulgarije wegens technische problemen. Eiser heeft niet toegelicht of onderbouwd waarom in zijn situatie geen overdracht naar Bulgarije zou kunnen plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat verweerder met een lichter middel dan de inbewaringstelling had kunnen volstaan. Hij heeft een nieuw asielverzoek ingediend en wil de beslissing in vrijheid afwachten binnen het COA. De inbewaringstelling is disproportioneel, onrechtmatig en onevenredig, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze maatregel nodig was en het risico op onttrekking niet heeft onderbouwd. Er had een minder ingrijpend middel, zoals een meldplicht, moeten worden toegepast. Verweerder heeft niet onderzocht of dit volstond. Het valt eiser zwaar dat hij niets strafrechtelijks heeft gedaan, maar toch in detentie zit.
4.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband van belang kunnen achten dat eiser illegaal naar Nederland is gekomen met de intentie illegaal door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk om daar te gaan werken. Daarnaast heeft eiser verklaard niet terug te willen naar Bulgarije. In tegenstelling tot wat eiser betoogt, heeft verweerder op pagina 5 van de maatregel van bewaring toegelicht waarom niet voor een ander middel dan de inbewaringstelling is gekozen. Daarbij is ook het risico op onttrekking besproken. Er zijn verder geen omstandigheden door eiser aangevoerd die zouden moeten leiden tot een andere conclusie. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.