ECLI:NL:RBDHA:2026:20292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24911
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 6:22 AwbArt. 6 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en systeemfouten Bulgarije

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres stelde dat er ernstige tekortkomingen zijn in de Bulgaarse asielprocedure, met name voor Turkse asielzoekers, en dat zij en haar minderjarige dochter kwetsbaar zijn.

De rechtbank overweegt dat Nederland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije, ook voor Turkse asielzoekers, en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico is op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook de medische en psychische klachten van eiseres en de belangen van haar minderjarige dochter zijn onvoldoende concreet onderbouwd om individuele garanties te vereisen.

Hoewel de rechtbank een motiveringsgebrek constateert over de belangen van het kind, wordt dit hersteld door de nadere motivering van de minister, zodat het besluit in stand kan blijven. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24911

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer]
mede namens haar minderjarige dochter,
[naam],
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 25 maart 2026 bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 4 april 2026 aanvaard.
Risico op schending artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro
5. Eiseres voert aan dat er sprake is van ernstige en langdurige tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure. Bij terugkeer naar Bulgarije vreest eiseres voor een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De opvang in Bulgarije is ondermaats, vreemdelingen worden slecht behandeld en er vinden pushbacks plaats. Ook stelt eiseres geen toegang te zullen hebben tot rechtsbijstand en vreest ze in vreemdelingenbewaring terecht te komen. Eiseres is van mening dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten, en verwijst hieromtrent naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 12 mei 2025. [2]
5.1.
In aanvulling hierop stelt eiseres dat er specifiek sprake is van systeemfouten in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers. Hierbij wijst ze op het AIDA-rapport (2024 update) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2025. [3] Hieruit blijkt volgens eiseres dat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid, en systeemfouten ten aanzien van Turkse asielzoekers. Zo zouden veel Turkse asielzoekers tijdens hun asielprocedure in detentie verblijven, zouden ze worden teruggestuurd naar Turkije en zou hen juridische bijstand worden onthouden. Dit zou komen door een informele politieke overeenkomst tussen Bulgarije en Turkije. De minister kan volgens eiseres niet zonder nader onderzoek te doen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije als het gaat om Turkse asielzoekers.
6. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eiseres. De minister mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. [4]
6.1.
Eiseres is hierin niet geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling [5] van 20 april 2026 [6] volgt dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in haar uitspraak het AIDA-rapport betrokken, en is specifiek ingegaan op de positie van Turkse Dublinclaimanten. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.
Toepassing artikel 17 Dvo Pro [7]
7. Eiseres voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiseres ervaart stress vanwege haar onzekere toekomst, haar angst om zonder eten en zorg op straat te belanden en haar zorgen over een pushback door de Bulgaarse autoriteiten. Met een beroep op toepassing van artikel 17 Dvo Pro heeft eiseres medische stukken overgelegd waaruit volgt dat ze medicatie krijgt en dat er overleg is met de praktijkondersteuner van de huisarts over een specialistische behandeling voor haar psychische klachten.
8. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Ten aanzien van de medische en psychische klachten van eiseres overweegt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit kan worden gegaan dat eiseres een eventuele behandeling ook in Bulgarije kan ondergaan. Niet is gebleken dat de zorg in Bulgarije voor eiseres ontoereikend zal zijn. Hierbij is van belang dat de behandeling in Nederland nog niet is gestart, en dat DT&V [8] het medisch dossier van eiseres kan overdragen aan Bulgarije.
Kwetsbaarheid en belang van het kind
9. Tot slot betoogt eiseres dat zij als alleenstaande Turkse vrouw met een minderjarig kind kwetsbaar is en dat de minister hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. De minister heeft de belangen en de psychische problemen van de minderjarige dochter evenmin meegenomen in de besluitvorming. Indien de minister toch tot overdracht over gaat dient hij bij de Bulgaarse autoriteiten individuele garanties te vragen voor eiseres en haar dochter.
9.1.
Voor zover eiseres met de stelling dat zij kwetsbaar is een beroep doet op het arrest Tarakhel [9] , faalt deze beroepsgrond. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 [10] volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiseres stelt dat zij een alleenstaande moeder is met een minderjarige dochter met psychische problemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft namelijk niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Uit het door eiseres overgelegde medische stuk blijkt alleen wat zij zelf heeft verklaard, dat ze medicatie krijgt en dat ze is doorverwezen. Nergens uit blijkt of eiseres en haar dochter al een afspraak bij een behandelaar hebben of een medisch behandeltraject doorlopen. Ook op zitting is hierover geen inzicht gegeven. De enkele stelling van eiseres dat er een wachtlijst is, is in dit verband onvoldoende. Bovendien is niet aannemelijk geworden zij en haar minderjarige dochter, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Bulgarije geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen mag er ten aanzien van Bulgarije uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieronder valt ook eventuele psychische zorg voor de minderjarige dochter van eiseres. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Bulgaarse autoriteiten vereist voor de overdracht van eiseres.
9.2.
Ten aanzien van de belangen van het kind overweegt de rechtbank dat artikel 6 Dvo Pro voorschrijft dat voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de minderjarige dochter van eiseres onvoldoende kenbaar zijn meegewogen in het bestreden besluit. De rechtbank merkt dit aan als een motiveringsgebrek. Omdat de minister ter zitting een nadere motivering heeft gegeven met betrekking tot de belangen van het kind, verband houdend met wat hierboven onder 9.1 is weergegeven, en de rechtbank deze motivering deugdelijk vindt, ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [11] te passeren. Omdat het besluit vanwege het herstelde motiveringsgebrek in stand kan blijven, worden eiseres en haar dochter hierdoor niet in hun belangen geschaad.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
11. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Dublinverordening.
8.Dienst terugkeer en vertrek.
9.Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11.Algemene wet bestuursrecht.