Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL24.9999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4:8 AwbArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 15 Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende derdelander Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na zijn vlucht uit Oekraïne vanwege de inval door Rusland. Verweerder beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerplicht op naar Marokko. Eiser stelde dat hij onder de richtlijn tijdelijke bescherming viel vanwege een duurzame relatie met een Oekraïense partner en dat terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade oplevert.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn partner vóór de inval in Oekraïne een duurzame relatie hadden. De overgelegde bewijsstukken waren onvoldoende en niet overtuigend. Ook was niet gebleken dat eiser een beschermingswaardig privé- of familieleven in Nederland heeft opgebouwd. Zijn asielaanvraag was buiten behandeling gesteld en hij had geen nieuwe aanvraag ingediend.

Verder stelde eiser dat hij niet is gehoord, maar de rechtbank stelde vast dat hij voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren op het voornemen tot terugkeerbesluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934 aan eiser vanwege het gebrek in het oorspronkelijke besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het vervangend terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9999

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 29 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. Hierop hebben partijen instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [1] In het vervangend besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met het besluit van 29 juli 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. In dit verband stelt hij dat hij onder de RTB valt, omdat hij sinds 2021 een duurzame relatie onderhoudt met een partner met de Oekraïense nationaliteit. Met deze partner woonde hij al samen in Oekraïne. Eiser stelt verder dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord. Dat is strijdig met artikel 4:8 van Pro de Awb.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangend terugkeerbesluit rechtmatig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het aangevulde besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het aangevulde besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het aangevulde besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RTB, en artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan eiser enkel als gezinslid een verblijfsrecht aan de RTB ontlenen aan de tijdelijke bescherming hier te lande van zijn partner als er al vóór de inval door Rusland in Oekraïne sprake was van een duurzame relatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval was. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de overgelegde bewijsstukken in dat verband onvoldoende zijn om een ander oordeel te rechtvaardigen. Zo bevat de overgelegde huuroverkomst geen geverifieerde stempels. Daarnaast bevatten de overgelegde foto’s geen metadata of datumstempels. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en zijn gestelde partner reeds in Oekraïne een duurzame relatie onderhielden.
8. De stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM is niet aannemelijk gemaakt, omdat deze enkele stelling niet nader is onderbouwd. De rechtbank stelt daarbij vast dat eisers asielaanvraag bij besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling is gesteld. Dat besluit staat in rechte vast. Eiser heeft vervolgens geen nieuwe asielaanvraag ingediend waardoor verweerder ook niet eisers asielmotieven heeft kunnen onderzoeken. Ook overigens is niet gebleken dat terugkeer van eiser naar Marokko zal leiden tot enige onrechtmatigheid.
9. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Voor zover eiser stelt dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een Oekraïense partner, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Daarbij merkt verweerder terecht op dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relatie, nu hij in een (later ingetrokken) zienswijze van 16 juni 2025 heeft aangevoerd dat hij in een duurzame relatie met een andere vrouw verkeerde. Ook stelt verweerder terecht dat eiser een aanvraag in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM kan indienen. Er is dan ook niet gebleken van beschermingswaardig familieleven. Uit de niet nader onderbouwde stelling dat eiser in Nederland verblijft en werkt kan niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
10. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
11. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangend terugkeerbesluit blijft in stand.
12. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van
Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025