ECLI:NL:RBDHA:2026:20236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25664 en NL26.25667
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EU-HandvestArt. 8:57 AwbArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Spanje volgens Dublinverordening

Eisers dienden op 6 maart 2026 asielaanvragen in bij Nederland, die de minister van Asiel en Migratie op 6 mei 2026 niet in behandeling nam omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen. Eisers stelden dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de opvang in Spanje, onderbouwd met persoonlijke verklaringen, foto’s en een filmpje.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De aangevoerde persoonlijke ervaringen en bewijsstukken zijn onvoldoende onderbouwd en het filmpje is niet overgelegd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eisers geen toegang hebben tot Spaanse autoriteiten bij problemen.

De rechtbank concludeert dat er geen reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU-Handvest. De beroepen worden ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.S. Gaastra en griffier I.S. Pruijn op 17 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en bevestigt dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.25664 en NL26.25667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser 1], v-nummer: [nummer 1],

[eiser 2], v-nummer: [nummer 2],
eisers
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers zijn het niet eens met deze besluiten en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 6 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 6 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de besluiten
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eisers betogen dat voor Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Zij voeren aan dat bij twee eerdere overdrachten aan Spanje geen opvang voor hen beschikbaar was. Ter onderbouwing hebben eisers een nadere schriftelijke verklaring en foto’s overgelegd waarin zij hun persoonlijke ervaringen weergeven en wijzen op hun kwetsbare positie als LHBT-koppel en op hun opgelopen psychische klachten. Daarnaast voeren zij aan dat zij zelf een filmpje hebben gemaakt waaruit blijkt dat een hulpverlenende instelling in Spanje heeft meegedeeld dat geen opvang beschikbaar was. Volgens eisers moeten hun persoonlijke ervaringen voldoende bij de besluitvorming worden betrokken. Zij wijzen in dat verband op twee uitspraken van deze rechtbank. [4]
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [5] De rechtbank ziet in dat wat eisers aanvoeren, geen reden om hier anders over te oordelen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Spanje een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. De door eisers gestelde eerdere ervaringen, waaronder het ontbreken van opvang, zijn onvoldoende onderbouwd. Ook de overgelegde schriftelijke verklaring en foto’s bieden onvoldoende steun voor die conclusie en daarnaast is het genoemde filmpje, waaruit zou blijken dat geen opvang beschikbaar was, niet overgelegd. Bovendien stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers zich bij eventuele problemen kunnen wenden tot de Spaanse autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hen niet kunnen of willen helpen. De door eisers aangehaalde uitspraken leiden ook niet tot een ander oordeel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in hoger beroep in één van de door eisers aangehaalde zaken heeft geoordeeld dat de minister voldoende gewicht heeft toegekend aan de verklaringen van de vreemdeling door te stellen dat deze enerzijds niet onderbouwd zijn en anderzijds niet is gebleken van de onmogelijkheid om bij eventuele problemen te klagen bij de Spaanse autoriteiten. [6] Hetzelfde is hier het geval. Over de psychische klachten merkt de rechtbank tot slot op dat eisers enkel gesteld hebben dat overdracht leidt tot een toename van deze klachten, maar dit niet hebben onderbouwd. Ook hierin heeft de minister dus geen aanleiding hoeven zien om af te zien van overdracht.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Die stond in de Dublinverordening. Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Rechtbank Den Haag (zp. Haarlem), 19 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17709 en Rechtbank Den Haag (zp. Roermond), 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13134.
5.Zie onder andere ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en ABRvS 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880.
6.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5514.