ECLI:NL:RBDHA:2025:17709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
NL25.28432, NL25.284333, NL25.28427, NL25.28428
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvragen en overdracht aan Spanje in het kader van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet voldoende is ingegaan op de bezwaren van eisers tegen hun overdracht aan Spanje. Eisers, van Algerijnse nationaliteit, hebben concrete verklaringen afgelegd over hun ervaringen in Spanje, waaronder eerdere overdrachten en de problemen die zij daar hebben ondervonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder de verklaringen van eisers onvoldoende heeft meegewogen en dat de besluiten daarom niet zorgvuldig zijn. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eisers, waaronder de zwangerschap van eiseres. Tevens worden de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen, nu de beroepen gegrond zijn verklaard. Eisers krijgen een vergoeding van hun proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.28432 (beroep) en NL25.284333 (voorlopige voorziening), NL25.28427 (beroep) en NL25.28428 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] en [eiser], eiseres/verzoekster en eiser/verzoeker (hierna: eisers)
V-nummers: [v-nummer] en [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 19 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eisers hebben ook verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om voorlopige voorzieningen op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M. El Bouch als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2. Eisers stellen van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum 1] 1991 en [datum 2] 1998. Zij hebben op 27 april 2025 in Nederland asielaanvragen ingediend. Uit Eurodac blijkt dat zij eerder al in Zwitserland en Duitsland verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. De autoriteiten van Zwitserland hebben een verzoek om overname afgewezen omdat volgens hen Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvragen. Nederland heeft daarom op 12 mei 2025 de autoriteiten van Spanje verzocht om overname op grond van artikel 18, eerste lid en onder a, van de Dublinverordening. [1] Op 26 mei 2025 zijn de autoriteiten van Spanje hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 13, eerste lid, Dublinverordening. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de asielaanvragen van eisers daarom niet in behandeling genomen.

Overwegingen

3. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en er geen toegang is tot de asielprocedure. Eisers zijn al een keer aan Spanje overgedragen door Zwitserland in het kader van de Dublin procedure, waarna zij op straat terecht zijn gekomen. Toen hebben de Spaanse autoriteiten ook een claim geaccepteerd, maar dit heeft niet geleid tot een asielprocedure of opvang. Eisers hebben zich tot het Rode Kruis en de autoriteiten gewend om opvang en toegang tot de asielprocedure te krijgen, maar dit is niet gelukt. Eisers hebben hierover verklaard in hun aanmeldgehoren en stellen dat verweerder deze verklaringen ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn beoordeling. Zij verwijzen naar een uitspraak van deze zittingsplaats, rechtbank Roermond van 18 juli 2025. [2] Verweerder had hier des te meer aanleiding voor moeten zien nu de verklaringen zien op persoonlijke ervaringen na een eerdere overdracht naar Spanje. Daarnaast verklaren zij over problemen die overeenkomen met wat in algemene bronnen over de situatie in Spanje wordt beschreven. Eisers wijzen op het AIDA-rapport van 30 april 2025 (update 2024) en de inbreukprocedure die is gestart door de Europese Commissie in verband met tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje. Ter zitting hebben eisers hun verklaringen bevestigd en aangevuld dat zij vanuit Zwitserland gedwongen zijn overgedragen aan Spanje en daar ook door middel van een advocaat tevergeefs hebben geprobeerd om opvang en toegang tot de asielprocedure te krijgen.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit bevestigd in uitspraken van 24 juni 2024 en 3 februari 2025. [3] In het AIDA-rapport van 2025 staat geen wezenlijke andere informatie over de opvang en toegang tot de asielprocedure dan in eerdere rapporten waarover de Afdeling zich al heeft uitgelaten. Het claimakkoord garandeert daarnaast dat Spanje de asielaanvraag van eisers in behandeling zal nemen. In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van de verklaringen van eisers aangegeven dat die niet tot de conclusie zullen leiden dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Spanje. In aanvulling hierop overweegt verweerder dat eisers zich bij voorkomende problemen in Spanje kunnen wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Spanje of de daarvoor aangewezen instanties. Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Spanje eisers niet zouden kunnen of willen helpen. Ter zitting heeft verweerder verder gewezen op communicatie van de Zwitserse autoriteiten (de rechtbank begrijpt: een e-mail van 9 mei 2025) waarin staat dat zij om een verlenging van de overdrachtstermijn hebben verzocht. Zijns inziens was dat vanwege een melding dat eisers met onbekende bestemming zijn vertrokken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat eisers niet zijn overgedragen en eisers het tegendeel moeten onderbouwen.
5. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Daarbij staat voorop dat eisers in hun gehoren bezwaren hebben geuit tegen overdracht. Zij hebben daartoe concrete verklaringen afgelegd over hun verblijf en ervaringen in Spanje, waaronder ervaringen als Dublinterugkeerders. Hun verklaringen worden ondersteund door de door hen aangehaalde landeninformatie. Verweerder had daarom in beginsel moeten ingaan op de bezwaren tegen overdracht die eisers in hun gehoren naar voren hebben gebracht, en niet kunnen volstaan met verwijzing naar het claimakkoord en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het bestreden besluit is verweerder echter niet inhoudelijk ingegaan op de verklaringen. De stelling dat niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten hen niet willen helpen is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Dat er geen aanleiding was om op de verklaringen in te gaan omdat niet aannemelijk is dat overdracht naar Spanje heeft plaatsgevonden (en de verklaringen dus niet kunnen kloppen) volgt niet uit het dossier. Uit de e-mail van 9 mei 2025 van de Zwitserse autoriteiten volgt dat zij uitstel van overdracht hebben gevraagd vanwege detentie/onderduiken. Wat er precies is gebeurd, of wat het vervolg daarvan is geweest, wordt niet duidelijk uit deze e-mail en ook uit de rest van het dossier is dit niet af te leiden. Hieruit maakt de rechtbank in ieder geval niet op dat overdracht niet heeft plaatsgevonden. De conclusie is dan ook dat verweerder de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Nu niet gesteld kan worden dat eisers niet daadwerkelijk zijn overgedragen naar Spanje en de verklaringen van eisers over de persoonlijke ervaringen in Spanje na overdracht niet voldoende zijn meegenomen, bevatten de besluiten een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing nu verweerder de verantwoordelijkheid van Spanje opnieuw moet beoordelen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Verweerder dient daarbij de individuele omstandigheden van eisers mee te nemen. Verweerder dient ook wat is aangevoerd over de zwangerschap van eiseres en wat haar is aangedaan op straat in Spanje te betrekken. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
7.2.
Nu met deze uitspraak op de beroepen van eisers is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen daarom af.
7.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 4.535,- omdat de gemachtigde van eisers een beroep- en verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 19 juni 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers.
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.