ECLI:NL:RBDHA:2026:2018
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank beveelt minister tot besluit binnen twee weken en legt hogere dwangsom op wegens niet tijdig beslissen MVV nareisaanvraag
Eiser stelde op 6 september 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis voor zijn echtgenoot en kinderen. De rechtbank verklaarde dit beroep op 30 oktober 2024 gegrond en gaf de minister een termijn van acht tot twintig weken om te beslissen, met een dwangsom van €100 per dag.
Op 30 april 2025 stelde eiser opnieuw beroep in wegens het uitblijven van een besluit. De minister voerde aan dat de aanvraag volgens het FIFO-principe pas in oktober 2025 in behandeling wordt genomen en verzocht om een ruime beslistermijn en een lagere dwangsom.
De rechtbank oordeelde dat de minister zich niet aan de eerdere termijn heeft gehouden en dat een nieuwe ingebrekestelling niet vereist is. De rechtbank legde een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verhoogde de dwangsom naar €200 per dag met een maximum van €15.000, omdat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten en het griffierecht van eiser. De rechtbank wees het verzoek van de minister om de behandeling aan te houden af, omdat dit in strijd is met de rechtsbescherming bij niet tijdige besluitvorming.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister binnen twee weken een besluit te nemen en legt een dwangsom van €200 per dag op wegens niet tijdig beslissen.