ECLI:NL:RBDHA:2026:20051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.3227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 sub b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 31 lid 6 sub e Vw 2000Art. 29 lid 1 sub a en b Vw 2000Art. 30b lid 1 sub e Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en geen vrees voor vervolging in Turkije

Eiser, van Turkse nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege vermeende vervolging door Turkse autoriteiten vanwege zijn activiteiten voor de Gülenbeweging. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de overgelegde documenten en het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de authenticiteit van de rechtbankdocumenten betwistte op basis van het onderzoek van Bureau Documenten. Eiser bracht onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren om het onderzoek te betwijfelen en leverde geen contra-expertise. De bevestiging van volgnummers in het Turkse UYAP-systeem was onvoldoende bewijs voor de echtheid van de documenten.

Verder concludeert de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije. Hoewel hij erkend wordt als Gülenist, heeft hij sinds 2016 geen activiteiten meer verricht en geen prominente rol gespeeld. De financiële steun aan familieleden leidt niet tot een gegronde vrees.

De rechtbank bevestigt dat het beleid van de minister geen lichtere bewijslast voor geringe indicaties kent en dat het aan de vreemdeling is om zijn individuele situatie aannemelijk te maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en geen gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eisers problemen vanwege activiteiten voor de Gülenbeweging ongeloofwaardig mogen vinden. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser is van Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van jongs af aan actief geweest voor de Gülenbeweging. Tot 2016 verrichtte hij meerdere activiteiten voor de beweging, maar na de couppoging is hij hier uit angst mee gestopt. Eisers broer is vanwege zijn activiteiten veroordeeld tot een celstraf en er hangt nog steeds een voorwaardelijke straf boven zijn hoofd. Eisers schoonzus is in eerste instantie vrijgesproken, maar het Turkse OM is tegen deze vrijspraak in beroep gegaan. Op 21 juni 2022 kwam eiser erachter dat er een huiszoeking was geweest bij hem en daarna dat er een aanhoudingsbevel was uitgevaardigd. Eiser is toen meteen ondergedoken. Nadat eiser was ondergedoken kreeg hij indirect van zijn advocaat te horen dat het bevel was uitgevaardigd in het kader van de zogeheten herstructureringsoperaties gebaseerd op de financiële steun aan zijn broer en de echtgenote van zijn celgenoot. Eiser is daarna Turkije ontvlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen vanwege activiteiten voor de Gülenbeweging.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers problemen vanwege zijn activiteiten voor de Gülenbeweging vindt de minister echter niet geloofwaardig, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft [1] , zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [2] en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [3] De rechtbankdocumenten die hij ter onderbouwing van zijn persoonlijke problemen heeft overgelegd – een aanhoudingsbevel en een brief van de rechtbank aan het Turkse OM daarover – zijn namelijk met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt, afgegeven en hebben een onjuiste inhoud. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eisers identiteit, nationaliteit en herkomst reden geven om aan hem een asielvergunning te verlenen. [4] Dat is volgens de minister niet het geval. Voor zover eiser een politieke overtuiging heeft als Gülenist, geldt daarvoor hetzelfde. Omdat eiser volgens de minister kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, komt de minister tot de conclusie dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is. [5]
Heeft de minister eisers problemen terecht ongeloofwaardig gevonden?
5. Eiser betoogt dat de minister de problemen vanwege zijn activiteiten voor de Gülenbeweging ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De minister stelt zich namelijk ten onrechte op het standpunt dat de rechtbankdocumenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt, afgegeven en een onjuiste inhoud hebben. Eiser heeft de documenten geverifieerd bij het digitale Portaal van de Turkse overheid zelf (UYAP), door de volgnummers van de documenten daar in te vullen. Eiser heeft hiervan screenshots overgelegd, en wijst in dit verband op het ambtsbericht. [6] Eiser heeft in de zienswijze aangeboden dit in persoon aan de minister te laten zien, en om deze verificatie te laten onderzoeken door Bureau Documenten, maar de minister is daar niet op ingegaan, wat onzorgvuldig is. De betrouwbaarheid van het onderzoek van Bureau Documenten wordt door de minister boven de informatie uit UYAP geplaatst, terwijl de minister tot voor kort altijd documenten uit UYAP accepteerde. Het is onduidelijk waar de minister zich op baseert bij deze afweging. Eiser betoogt verder dat het onduidelijk is waarom Bureau Documenten in een andere zaak aangaf de overgelegde documenten niet te kunnen beoordelen vanwege een gebrek aan voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, terwijl het ook in die zaak ging om documenten van een rechtbank, waaronder een aanhoudingsbevel. De minister heeft zijn standpunt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Eiser vraagt de rechtbank voorts om de minister te bevelen de onderliggende stukken van de onderzoeksrapporten van Bureau Documenten in deze zaak en de andere zaak te overleggen. [7] Ten slotte heeft eiser tijdens de zitting gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [8] , waaruit volgens hem volgt dat de minister een asielrelaas niet uitsluitend op grond van vals bevonden documenten ongeloofwaardig kan vinden.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld eisers problemen ongeloofwaardig zijn, omdat de door eiser overgelegde rechtbankdocumenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt, afgegeven en een onjuiste inhoud hebben. De minister is namelijk terecht uitgegaan van de door Bureau Documenten getrokken conclusies en heeft geen nadere invulling hoeven geven aan zijn vergewisplicht, nu eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel over de zorgvuldigheid van het verrichte onderzoek. Allereerst wordt overwogen dat de vergewisplicht van de minister niet zo ver strekt dat hij tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Gelet hierop heeft de minister er terecht op gewezen dat het op eisers weg had gelegen om een contra-expertise te laten verrichten. Dit heeft eiser echter nagelaten. Daarbij komt dat het enkele gegeven dat eiser de volgnummers van de overgelegde rechtbankdocumenten heeft kunnen invullen in het UYAP-systeem onvoldoende is om aan de door Bureau Documenten getrokken conclusies over de authenticiteit van die documenten af te doen. De minister heeft er tijdens de zitting terecht op gewezen dat het niet meer bevestigt dan dat er in het UYAP-systeem documenten aanwezig zijn met die volgnummers, terwijl niet is aangetoond dat het ook daadwerkelijk om dezelfde documenten zou gaan als eiser heeft overgelegd. Eiser kan naar eigen zeggen de betreffende documenten in het UYAP-systeem zelf ook niet inzien en overleggen. De minister heeft dan ook niet onzorgvuldig gehandeld door de bevestiging van de volgnummers in het UYAP-systeem niet door Bureau Documenten te laten onderzoeken. Eisers stelling dat Bureau Documenten in een andere zaak tot andere conclusies is gekomen leidt evenmin tot het oordeel dat het onderzoek in deze zaak onzorgvuldig is geweest. De minister heeft hiertoe terecht overwogen dat het de enkele stelling van eiser is dat het in de andere zaak om dezelfde soort documenten zou gaan. De door eiser overgelegde verklaring van onderzoek uit die andere zaak biedt hiervoor ook geen aanwijzingen. Weliswaar zijn de onderzochte documenten in zowel de onderhavige zaak als de andere zaak afkomstig van Turkse rechtbanken, maar in de verklaring van onderzoek uit de andere zaak zijn de documenten allen omschreven als “overige bescheiden rechtbank”, terwijl de documenten in deze zaak zijn omschreven als “arrestatiebevel”, “begeleidende brief rechtbank” en “overige uitspraak rechtbank”. Bovendien heeft de minister tijdens de zitting terecht aangevoerd dat ook als het wél om dezelfde soort documenten zou gaan, dat niet betekent dat Bureau Documenten in deze zaak niet tot andere conclusies zou kunnen komen. Dat het dezelfde soort documenten betreft, betekent immers niet dat de documenten exact hetzelfde zijn. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de minister te bevelen de onderliggende stukken van de onderzoeken al dan niet onder geheimhouding te overleggen. Ten slotte wordt eiser er niet in gevolgd dat de minister een asielrelaas niet uitsluitend op grond van vals bevonden documenten ongeloofwaardig mag vinden. De Afdelingsuitspraak waarnaar eiser heeft verwezen, heeft betrekking op de wijze waarop asielaanvragen tot 2015 door de minister werden beoordeeld. Thans geldt er een andere werkwijze. [9] Daarbij is geenszins uitgesloten dat een asielmotief onder bepaalde omstandigheden terecht ongeloofwaardig kan worden gevonden, omdat door de vreemdeling overgelegde documenten vals zijn. Los daarvan heeft de minister terecht overwogen dat eiser óók met zijn verklaringen niet heeft kunnen onderbouwen waarom hij in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zou staan vanwege de financiële steun aan zijn broer en de echtgenote van zijn celgenoot. Gelet daarop en het gegeven dat de vals bevonden documenten juíst de documenten zijn die eisers persoonlijke problemen direct hadden moeten onderbouwen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers problemen ongeloofwaardig zijn omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd, zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet heeft te vrezen voor vervolging?
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. De minister twijfelt er niet kenbaar aan dat eiser een Gülenist is, en dat hij zijn broer en de vrouw van de celgenoot van zijn broer financieel heeft ondersteund. Uit landeninformatie volgt dat (bijna) alle Gülenisten een reëel risico lopen op vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eiser wijst op een tweet van de International Association for Human Rights Advocacy in Geneve (IAHRA Geneve) en een rapport van de Stichting Justice Square. [10] Verder heeft de minister eisers verklaringen over de huiszoeking en dat navraag naar hem is gedaan ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling. Dat de overgelegde rechtbankdocumenten niet authentiek zouden zijn, wil nog niet zeggen dat deze verklaringen niet meer van belang zouden zijn. De minister heeft ook ten onrechte niet beoordeeld of eiser zich bij terugkeer naar Turkije zal blijven uiten als aanhanger van de Gülenbeweging of ondersteuning zal bieden aan gezinnen van hulpbehoevende (gedetineerde) Gülenisten. Eiser wijst op een uitspraak van deze zittingsplaats van 14 januari 2026. [11] Ten slotte betoogt eiser dat hij ten minste geringe indicaties naar voren heeft gebracht dat hij als Gülenist een reëel risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije, gelet op de veroordeling van zijn broer en schoonzus in combinatie met de steun die eiser heeft gegeven aan (de familie van) zijn broer en de echtgenote van diens celgenoot. Eiser heeft in dit verband ter zitting verwezen naar één van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 maart 2026. [12] Nu er veel landeninformatie is die aantoont dat Gülenisten structureel of vaak het slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen, moet dit immers gevolgen hebben voor de bewijslastverdeling. De minister stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat ‘geringe indicaties’ geen onderdeel meer zouden zijn van de beoordeling van de risicoprofielen. Eiser wijst op het Salah Sheekh-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [13]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat de minister in het besluit niet kenbaar eraan twijfelt dat eiser een Gülenist is. De rechtbank zal daarom bij de bespreking van deze beroepsgrond hiervan uitgaan. Dat betekent dat eiser – volgens het beleid van de minister [14] – onder een risicoprofiel valt. Verder verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2026 [15] waarin is geoordeeld dat uit landeninformatie blijkt dat niet elke Gülenist in gelijke mate risico loopt op strafrechtelijke vervolging, en dat de minister daarom op grond van zijn beleid per geval aan de hand van de individuele omstandigheden de gestelde vrees van Gülenisten mag beoordelen. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om van deze uitspraak af te wijken. Gelet hierop mocht de minister van eiser verlangen dat hij aan de hand van zijn individuele situatie aannemelijk zou maken dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers alleen dat de minister uitdrukkelijk moet meewegen dat een vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep, maar dat het in beginsel nog altijd aan de vreemdeling zelf is om aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. [16] Dat het beleid van de minister niet langer voorziet in een lichtere bewijslast voor de vreemdeling in de vorm van het bestaan van ‘geringe indicaties’ leidende tot vrees voor vervolging, betekent dus niet dat het beleid zoals de minister dat thans hanteert onrechtmatig is.
6.2.
Het voorgaande in acht nemend, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Uit de documenten die eiser heeft overgelegd blijkt weliswaar dat hij zijn broer en diens celgenoot financieel heeft ondersteund, maar de persoonlijke problemen die eiser hierdoor zelf stelt te hebben gekregen heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden, gelet op wat onder 5.1 is geoordeeld. De financiële steun die eiser heeft geboden kan daarom niet bijdragen aan de conclusie dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Omdat de minister eisers problemen terecht ongeloofwaardig heeft gevonden, wordt eiser er ook niet in gevolgd dat de minister eisers verklaringen over de huiszoeking en het aanhoudingsbevel bij de beoordeling van zijn vrees had moeten betrekken. Bovendien heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser sinds de couppoging van 2016 geen andere activiteiten meer heeft verricht ter ondersteuning van de beweging. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat eiser geen prominente rol in de beweging heeft gespeeld toen hij nog wel actief was, en dat ook niet is gebleken dat eiser in Nederland nog banden heeft met de Gülenbeweging of er activiteiten voor verricht. Gelet daarop – en het feit dat eiser tijdens het nader gehoor alleen verklaard heeft persoonlijk problemen te hebben gekregen vanwege de financiële steun en niet vanwege een (toegedichte) politieke overtuiging als Gülenist als zodanig – heeft de minister ook terecht volstaan met de overweging dat eiser tijdens het nader gehoor niets heeft verklaard over de wijze waarop hij zich bij terugkeer naar Turkije zou willen uiten. In het licht van het voorgaande leidt de Afdelingsuitspraak waarin is geoordeeld dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van niet hooggeplaatste Gülenisten risico lopen op negatieve aandacht van de autoriteiten niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000 (zoals die luidde tot 12 juni 2026).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals die luidde tot 12 juni 2026).
3.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000 (zoals die luidde tot 12 juni 2026).
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (zoals die luidden tot 12 juni 2026).
5.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 (zoals die luidde tot 12 juni 2026).
6.Algemeen ambtsbericht Turkije 2023, pagina 18.
7.Op grond van artikel 8:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8.ABRvS 21 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9328.
9.Werkinstructie 2024/6 (thans Werkinstructie 2026/16).
10.Tweet van 28 maart 2025 van IAHRA Geneve en het rapport “2024 Update: Developments in Gülen-Related Cases in Türkiye – An Overview for Legal Experts" van Justice Square.
11.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 14 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:643.
12.ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2.
13.EHRM 11 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804 (
14.Zie paragraaf C7/34.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
15.ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling over het Salah Sheekh-arrest van 12 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5779, rechtsoverweging 2.3.1.