ECLI:NL:RBDHA:2026:20018

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.29213
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 6:22 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige motieven en juiste procedure

Eiser diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het betoog dat Tunesië ten onrechte als veilig land van herkomst werd aangemerkt en dat de procedure onjuist was.

De rechtbank oordeelde dat eiser nog procesbelang had ondanks zijn vertrek uit de opvanglocatie. De minister had de asielaanvraag terecht in de algemene procedure behandeld en niet buiten behandeling hoeven stellen, ook al was eiser kort voor het besluit met onbekende bestemming vertrokken. De minister achtte de asielmotieven van eiser ongeloofwaardig, mede vanwege het ontbreken van objectieve bewijsstukken.

Hoewel de rechtbank een motiveringsgebrek constateerde omdat Tunesië onterecht als veilig land werd aangemerkt, passeerde zij dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend vanwege het motiveringsgebrek.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft nog procesbelang omdat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven nog contact te hebben met eiser. Het enkele feit dat het bestreden besluit lang is maakt niet dat het onrechtmatig is genomen. De minister hoefde de asielaanvraag van eiser niet buiten behandeling te stellen omdat de minister kort voor het nemen van zijn besluit ermee bekend werd dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Ook hoefde de minister geen belangenafweging te maken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiser nog procesbelang heeft, of het bestreden besluit onnodig lang is, of de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling moest stellen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e (en in het voornemen nog onder b) van de Vw 2000, zoals deze bepalingen luidden tot 12 juni 2026.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 14 augustus 2025 heeft de rechtbank de minister gevraagd wat volgens hem de gevolgen zijn van het arrest Alacé/Canpelli van 1 augustus 2025 van het Hof van Justitie [1] voor het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft hierop op 21 augustus 2025 schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Na het overlijden van zijn ouders is er een conflict ontstaan over de erfenis. De ooms van eiser hebben een rechter omgekocht en hierdoor is tegen eiser een valse aanklacht ingediend. Eiser wordt gezocht omdat hij zich in 2013 niet heeft gemeld voor zijn militaire dienst. Eiser is homoseksueel. Hij is in 2010 bedreigd door jongens vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Hierbij is eiser mishandeld. De aanvallers hebben zijn arm gebroken. In 2017 is hij telefonisch met de dood bedreigd vanwege zijn homoseksualiteit. Eiser vreest bij terugkeer naar Tunesië voor zijn leven, omdat hij in Tunesië niet kan leven als homoseksueel.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. familieruzie over de erfenis;
3. militaire dienstplicht en de daaruit voortvloeiende problemen;
4. homoseksuele gerichtheid van eiser.
4.1.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser gedeeltelijk geloofwaardig geacht, omdat zijn identiteit niet geloofwaardig is. De door eiser gestelde asielmotieven – de familieruzie over de erfenis, de militaire dienstplicht en zijn homoseksuele gerichtheid – heeft de minister ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser geen van deze elementen met objectieve documenten heeft onderbouwd. De minister heeft verder geconcludeerd dat de verklaringen ook niet alsnog geloofwaardig kunnen worden geacht op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, omdat eiser niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Heeft eiser nog procesbelang?
5. Uit het bestreden besluit blijkt dat eiser op 25 juni 2025 uit de opvanglocatie van het COa is vertrokken. De rechtbank heeft op 18 juli 2025 aan de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft hierop aangegeven dat hij contact heeft met eiser. De rechtbank oordeelt daarom dat eiser nog belang heeft bij de behandeling van zijn beroep.
Heeft de minister de verkeerde procedure gevolgd?
6. Eiser betoogt dat de minister Tunesië ten onrechte heeft aangewezen als veilig land van herkomst en dat de minister daarom de verkeerde procedure heeft gevolgd.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op het arrest Alacé/Canpelli van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025 Tunesië in de besluitvorming niet als veilig land van herkomst mogen aanmerken. [2] Maar dat betekent niet dat de minister de verkeerde procedure heeft gevolgd. De minister heeft de asielaanvraag van eiser namelijk behandeld in de algemene asielprocedure en niet in de versnelde procedure die de minister vaak volgt bij vreemdelingen die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst. Zonder nadere toelichting, en die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de algemene asielprocedure de verkeerde procedure zou zijn. Dat de minister Tunesië in de besluitvorming als veilig land van herkomst heeft aangemerkt is wel een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De rechtbank legt dat hierna uit (zie onder 10).
Is het bestreden besluit onnodig lang en in strijd met een goede procesorde?
7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onnodig lang is. Het bestreden besluit omvat 47 pagina’s. Dit is volgens eiser te lang en staat een goede en effectieve behandeling van de zaak in de weg. Dit maakt het bovendien onmogelijk om het bestreden besluit met eiser te bespreken. Van de minister mag worden verwacht dat een besluit maximaal 20 pagina’s omvat, waarin wordt uitgelegd waarom het voornemen in stand blijft. Hierbij is van belang dat eiser in de zienswijze heeft aangegeven dat de militaire dienstplicht geen onderdeel is van het asielrelaas van eiser. Hier had de minister dus ook geen aandacht aan hoeven te besteden. Om deze redenen moet het bestreden besluit worden vernietigd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank begrijp eiser zo dat hij betoogt dat de lengte van het bestreden besluit een goede en effectieve behandeling van de zaak in de weg staat en daarom in strijd is met een goede procesorde. Het enkele feit dat het bestreden besluit een (erg) lang besluit is betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit in de weg staat aan een goede en effectieve behandeling van het beroep. Daarvan is in dit geval althans onvoldoende gebleken. Dit maakt op zichzelf ook niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dat de minister ook is ingegaan op de militaire dienstplicht terwijl eiser in de zienswijze heeft aangegeven dat het geen onderdeel is van zijn asielrelaas maakt dit oordeel niet anders. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit op alle punten is ingegaan die eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het is een persoonlijke keuze geweest van de beslismedewerker om het bestreden besluit zo uitgebreid te motiveren en toch ook in te gaan op de militaire dienstplicht.
Had de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling moeten stellen?
8. Eiser betoogt dat zijn asielaanvraag buiten behandeling gesteld had moeten worden. In het bestreden besluit heeft de minister zelf geconcludeerd dat eiser per 25 juni 2025 is vertrokken, waardoor het op de weg van de minister had gelegen om niet inhoudelijk te beslissen op het beroep maar de aanvraag buiten behandeling te stellen.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting terecht gesteld dat hij mocht aannemen dat eiser nog belang had bij de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht. Hier heeft de gemachtigde van eiser op 12 juni 2025 op gereageerd met de zienswijze. Eiser was toen nog in beeld. Eiser is op 25 juni 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Het bestreden besluit dateert van 2 juli 2025. Dit betekent dat eiser kort voor het besluit met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank kan de minister volgen in de toelichting van zijn gemachtigde op de zitting dat het niet deugdelijk zou zijn om in zo’n geval (eiser is kort voor het besluit vertrokken en er is voldoende informatie om een besluit te kunnen nemen) de asielaanvraag buiten behandeling te stellen.
Had de minister een belangenafweging moeten maken omdat hij Tunesië ten onrechte heeft aangemerkt als veilig land van herkomst?
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt omdat Tunesië is aangemerkt als veilig land van herkomst. Hierdoor is het besluit in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser kan niet veilig terugkeren naar Tunesië omdat Tunesië geen veilig land is voor LHBTI. Alleen al daarom kan het land niet als veilig land gelden in algemene zin. Dit geldt des te meer voor eiser omdat voor LHBTI geen bescherming beschikbaar is in Tunesië. Het enkele feit dat eisers homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig wordt geacht maakt niet dat Tunesië daarmee voor eiser een veilig land is. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 [3] , waaruit blijkt dat het uitzonderen van een sociale groep voor het bepalen of een land een veilig land is, niet in lijn is met de Procedurerichtlijn. Eiser verwijst daarnaast naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 januari 2025. [4]
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 14 augustus 2025 heeft de rechtbank aan de minister gevraagd om te reageren op het arrest Alacé/Canpelli van het Hof van Justitie, omdat Tunesië door dat arrest niet meer kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Hier heeft de minister op 21 augustus 2025 op gereageerd. In deze reactie stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. De Tunesische nationaliteit is wel geloofwaardig geacht. De door eiser naar voren gebrachte asielmotieven zijn allemaal niet geloofwaardig geacht. Eiser komt enkel op basis van zijn Tunesische nationaliteit niet in aanmerking voor een asielvergunning. De uitspraak van het Hof van Justitie maakt dat niet anders.
9.2.
Dat Tunesië niet meer als veilig land van herkomst kon worden aangemerkt brengt mee dat de minister de aanvraag niet kennelijk ongegrond mocht verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000. [5] De minister heeft die grond in het voornemen vermeld, naast artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e van de Vw 2000. In het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag vervolgens terecht nog uitsluitend op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond verklaard. [6]

Conclusie en gevolgen

10. Er is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb (zie onder 6.1). Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
10.1.
Omdat sprake was van een motiveringsgebrek krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934 (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2025:591.
2.ECLI:EU:C:2025:591.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:841 (C-406/22).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1438, onder 8.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1438, onder 8.1.