ECLI:NL:RBDHA:2026:19754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/20689 AWB 25/20579
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 64 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier wegens strafrechtelijke veroordelingen en frustratie terugkeer

Eiser, die sinds 1973 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het doel humanitair niet-tijdelijk. Deze aanvraag werd door de minister afgewezen, mede vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de afwezigheid van medische vrijstelling hiervan. Eerder had de minister reeds zijn verblijfsvergunning ingetrokken vanwege gepleegde misdrijven en een inreisverbod opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen medische vrijstelling van het mvv-vereiste noodzakelijk is, mede op basis van een BMA-advies dat stelt dat eiser kan reizen en geen medische noodsituatie verwacht wordt. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro is zorgvuldig en evenwichtig gemaakt, waarbij zwaar is meegewogen dat eiser meerdere veroordelingen heeft en zijn terugkeer naar Marokko heeft gefrustreerd.

Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn banden met Nederland zwaarder wegen dan de belangen van de Nederlandse staat, noch dat hij in Marokko geen sociaal vangnet heeft. Ook het beroep op het Gehandicaptenverdrag wordt verworpen wegens het ontbreken van directe werking. De rechtbank wijst het beroep af, maar kent een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt deels toegewezen en deels afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning afgewezen, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/20689 (beroep) en AWB 25/20579 (vovo)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. T.J.A. Tichelaar), de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep [1] van eiser is daarom ongegrond. Wel wordt het verzoek om schadevergoeding toegewezen in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om proceskosten [2] wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘regulier niet-tijdelijk’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep [3] op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot AWB 25/20689:
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is op 31 maart 1973 Nederland ingereisd met zijn ouders. Hij is lange tijd in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Als gevolg van misdrijven die eiser in Nederland heeft gepleegd, heeft de minister bij besluit van 7 februari 2017 eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit gebeurde met terugwerkende kracht tot 22 februari 2015. Ook heeft de minister in dit besluit eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit. De intrekking van dit verblijfsrecht is door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in rechte vast komen te staan.
4. Op 11 januari 2023 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2025 afgewezen omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en er geen aanleiding bestaat om hem op grond van artikel 8 van Pro het EVRM vrij te stellen van dit mvv-vereiste. Evenmin bestaat volgens de minister aanleiding om eiser hiervan op grond van medische redenen vrij te stellen.
5. In de uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2025 vernietigd. De minister had (kortgezegd) naar het oordeel van de rechtbank in het kader van een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van frustratie van vertrek uit Nederland. Ook had de rechtbank geen justitiële documentatie ontvangen waardoor de minister onder de verwijzing naar dit document niet heeft kunnen motiveren dat geen sprake is van een positieve gedragsverandering. Er was daarom sprake van een motiveringsgebrek, aldus de rechtbank.
6. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 heeft de minister opnieuw beslist op het bezwaar van eiser en is hij bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft hiertegen onderhavig beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening [4] . Dit verzoek is bij uitspraak van 20 februari 2026 toegewezen omdat de beoordeling van de beroepsgronden nader onderzoek vergt.
Wat vindt eiser?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen omdat hij niet beschikt over een mvv. Eiser voert hiertoe eerst aan dat zijn medische situatie voor de minister aanleiding had moeten zijn om hem vrij te stellen van het mvv-vereiste. Ook had de minister naar zijn mening tot de conclusie moeten komen dat artikel 8 van Pro het EVRM in de weg staat aan zijn uitzetting en de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert hiertoe aan dat de belangenafweging in het kader van zijn privéleven ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. Daarbij wijst eiser erop dat hij al meer dan vijftig jaar in Nederland verblijft en de intrekkingsbeslissing acht jaar geleden is genomen en daarom niet meer actueel is. Er had dan ook opnieuw een belangenafweging moeten plaatsvinden in verband met de vraag naar de proportionaliteit van de beslissing van de minister. Verder heeft de minister bij de belangenafweging een te groot belang gehecht aan de door hem gepleegde strafbare feiten. Ook heeft de minister in het kader van de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel meegewogen dat hij zijn uitzetting heeft gefrustreerd. Verder wijst eiser op zijn banden met Nederland en zijn gebrek aan een sociaal vangnet in Marokko. Hier heeft de minister in het kader van de belangenweging onvoldoende betekenis in zijn voordeel aan toegekend. In het kader van het economische belang heeft de minister tenslotte ten onrechte de kosten van de door hem benodigde medische zorg meegenomen. Eiser wijst in dit verband op het Gehandicaptenverdrag. Ook is de minister ten onrechte voorbijgegaan aan het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Griffierecht
8. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de griffierechten. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Vrijstelling op grond van medische redenen
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat om eiser op medische gronden vrij te stellen van het mvv-vereiste. Hierbij is van belang dat uit een BMA- advies van 18 december 2024 blijkt dat eiser kan reizen en dat er geen medische noodsituatie wordt verwacht bij het uitblijven van een behandeling. Eiser heeft geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt dat zijn medische situatie sindsdien is gewijzigd, waardoor dit BMA-advies niet langer actueel zou zijn. Ook de door eiser overgelegde brief van het [zorginstelling] van 18 augustus 2025 leidt niet tot die conclusie. Hieruit blijkt dat eiser werd opgenomen na een val met zijn fiets. Er werd een conservatief beleid gevoerd met pijnstilling en fysiotherapie. Eiser kon na enkele dagen naar huis waarna geen poliklinische controle werd afgesproken. Uit deze brief blijkt dan ook niet van enige restschade dan wel vervolgbehandeling als gevolg van dit ongeval. Deze brief hoefde voor de minister dan ook geen aanleiding te vormen om een nieuw medisch advies op te vragen.
10. De stelling van eiser dat vanwege het tijdsverloop sinds het uitbrengen van het BMA-advies niet langer van dit advies uitgegaan had mogen worden volgt de rechtbank ook niet. Het BMA adviseert in haar Protocol weliswaar in het algemeen geen beslissingen te nemen op een advies ouder dan zes maanden. Maar, dit betreft een algemeen advies. In een individuele zaak kan aanleiding bestaan om hiervan af te wijken. Nu het advies in een andere procedure van eiser is opgesteld, namelijk in een artikel 64-procedure, en eiser in onderhavige procedure geen andere relevante medische stukken had overgelegd, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld door dit advies wel bij diens oordeel te betrekken. Hierbij is ook van belang dat de afwijzing van eisers verzoek voor uitstel van vertrek om medische redenen in de betreffende artikel 64-procedure inmiddels in rechte vaststaat. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit een evenwichtige belangenafweging in het kader van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM gemaakt. De minister heeft benoemd welke omstandigheden in het voordeel en in het nadeel van eiser worden gewogen en welk gewicht daaraan wordt toegekend. Dit betekent dat de minister zorgvuldig heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
Openbare orde/ernst van de feiten
12. De minister heeft in de belangenafweging zwaar in het nadeel van eiser mogen meewegen dat hij meerdere keren is veroordeeld voor misdrijven en er geen sprake is van gedragsverandering. Uit de door de minister meegezonden justitiële documentatie [5] blijkt namelijk dat eiser ook na intrekking van zijn verblijfsvergunning met regelmaat in aanraking is gekomen met justitie [6] . Dat eiser geen hulp van reclassering krijgt, doet hieraan niet af. Dat is het resultaat van de keuzes van eiser en van de in rechte vaststaande intrekking van zijn verblijfsstatus. Daarbij heeft eiser in het verleden wel gebruik kunnen maken van de reclassering maar heeft dit ook niet geleid tot een blijvende gedragsverandering.
Frustratie van terugkeer
13. Ook heeft de minister in het kader van de belangenafweging zwaar in het nadeel van eiser mogen meewegen dat sprake is van frustratie van de uitzetting. Hierbij is van belang dat frustratie gelegen kan zijn in het actief dan wel passief frustreren. Frustratie is bijvoorbeeld ook gelegen in het zelf geen vertrekhandelingen initiëren en het actief uitdragen in vertrekgesprekken bij de DT&V niet terug te willen keren. [7] De minister heeft er in dit verband dan ook terecht en overeenkomstig het beleid op gewezen dat niet is gebleken dat eiser, buiten de periode van de voorlopige voorziening om, enige inspanning heeft verricht om zijn vertrek te realiseren. Hierbij is van belang dat al sinds februari 2017 een vertrekplicht op eiser rust, terwijl er pas op 23 februari 2025 een voorlopige voorziening is toegewezen. Ook heeft eiser in vertrekgesprekken met DT&V aangegeven niet te willen terugkeren naar Marokko, zijn vertrek naar Marokko niet te accepteren en dat zijn advocaat dan wel weer een nieuwe aanvraag indient. [8] Er zijn geen concrete dan wel verifieerbare aanknopingspunten aangevoerd die twijfel aan de juistheid van de weergave van deze gesprekken door de DT&V rechtvaardigen. De enkele stelling van eiser dat hij dit niet kan hebben gezegd, is hiertoe in ieder geval onvoldoende.
Banden met Marokko en Nederland
14. De minister heeft in de banden van eiser met Nederland geen aanleiding hoeven zien om de belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen. Niet ten onrechte is namelijk in dit verband door de minister geconstateerd dat eiser niet werkt en ook overigens maar beperkte banden met Nederland heeft opgebouwd. De stelling van eiser dat dit te wijten is aan zijn ziekte en dat deze tegenwerping daarom in strijd is met het Gehandicaptenverdrag slaagt niet. De rechtbank stelt namelijk onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van 18 maart 2014 in de zaak C-363/12, vast dat de bepalingen van het VN-Gehandicaptenverdrag, waarbij de EU en de lidstaten partij zijn, inhoudelijk niet onvoorwaardelijk en onvoldoende nauwkeurig zijn om rechtstreekse werking in het Unierecht te hebben. Eiser kan daarom dus niet met succes in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een beroep op dit verdrag doen
.
15. Eiser heeft daarbij niet aangetoond dat hij in verband met zijn medische (verslavings)problematiek gebonden is aan Nederland of aan zijn in Nederland woonachtige moeder. Niet is onderbouwd dat behandeling niet mogelijk is in Marokko dan wel dat eiser afhankelijk is van de zorg van zijn moeder of dat zij hem niet zou kunnen volgen naar Marokko. De minister heeft daarbij ook kunnen verwijzen naar het BMA-advies [9] waarin staat dat niet is gebleken dat mantelzorg essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling van eiser als ook naar de (langdurige) periodes zonder moeder in detentie. Daarbij is het aan eiser om zijn stelling dat de medische problemen van zijn moeder in de weg staan aan haar terugkeer naar Marokko, te onderbouwen en niet aan de minister om daarover het BMA te raadplegen.
16. Voor wat betreft zijn banden met Marokko heeft eiser zijn stelling dat hij zich niet zal kunnen handhaven in Marokko vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet niet onderbouwd of geconcretiseerd. Hierom heeft de minister in dat verband kunnen verwijzen naar het intrekkingsbesluit [10] . De uitspraak [11] waarnaar eiser in dit verband verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft namelijk geen situatie die vergelijkbaar is met de situatie van eiser. De betreffende vreemdeling is uit Somalië afkomstig terwijl met algemene landeninformatie over Somalië was onderbouwd dat terugkeerders uit westerse landen moeilijk werk vinden en gediscrimineerd en buitengesloten worden. Dergelijke informatie over Marokko is door eiser niet overgelegd.
Economisch belang
17. Tenslotte heeft de minister ook het economisch belang in het nadeel van eiser mee mogen wegen in de belangenafweging. Dit belang van de Nederlandse Staat ziet niet alleen op de financiële middelen maar ook op voorzieningen als woningen, gezondheidszorg en infrastructuur. De zorgkosten van eiser vallen hier dus ook onder. Voor wat betreft de stelling van eiser dat dit in strijd is met het Gehandicaptenverdrag verwijst de rechtbank naar haar overweging onder punt 14.
Conclusie ten aanzien van de belangenafweging
18. Gelet op hetgeen onder punt 12 tot en met 17 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de belangen van eiser bij voortzetting van zijn privéleven in Nederland. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Evenredigheid en proportionaliteit.
19. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan het evenredigheidsbeginsel en er opnieuw een belangenafweging had moeten plaatsvinden in verband met de vraag naar de proportionaliteit van de beslissing van de minister.
20. De rechtbank stelt vast dat de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in rechte vaststaat. Hierin is geconcludeerd dat de intrekking van deze vergunning proportioneel en evenredig is in relatie tot de bescherming van de openbare orde. De minister mag nog altijd uitgaan van dit besluit. Eiser miskent dat deze intrekking nu niet voorligt maar de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Met de belangenafweging, waarin in het kader van de openbare orde ook is meegenomen dat geen sprake van een gedragsverandering, is voldoende gemotiveerd dat en waarom de belangen van eiser minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse staat en daarom niet leiden tot vergunningverlening. In de eerdere uitspraak [12] heeft de voorzieningenrechter niet geoordeeld dat de minister moet motiveren om welke reden het noodzakelijk is om de openbare orde met het bestreden besluit te beschermen of dat de openbare orde ook op een andere manier kan worden beschermd en of het bestreden besluit onevenredig is. De voorzieningenrechter wijst er enkel op dat de minister in dit verband heeft gewezen naar de motivering over de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Er was al door de voorzieningenrechter geconcludeerd dat die motivering onvoldoende was. Alleen al daarom kon deze motivering geen standhouden. Dat wil niet zeggen dat deze verwijzing niet standhoudt als de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM wel voldoende is gemotiveerd. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Heeft eiser recht op schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
21. Eiser heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, nu sinds de ontvangst van het bezwaarschrift meer dan twee jaren zijn verstreken en (nog) geen uitspraak is gedaan. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
22. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt (in de regel) op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. De redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren (ofwel 24 maanden). [13]
23. Eiser heeft op 3 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Met de uitspraak van heden is de redelijke termijn van twee jaar dus overschreden. Niet is gesteld of gebleken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
24. Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding in geval van eiser volledig toe te rekenen aan de minister. De behandeling van het bezwaar heeft namelijk van
3 februari 2023 tot 23 oktober 2025 geduurd, ofwel (naar boven afgerond) 31 maanden. Het beroepschrift is op 24 oktober 2025 ingediend. De beroepsfase heeft daarmee, gerekend tot aan de datum van deze uitspraak, niet langer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn heeft dan ook volledig plaatsgevonden in de fase van bezwaar.
25. Uitgangspunt in de rechtspraak is dat er een schadevergoeding is aangewezen van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar (of een deel daarvan) dat de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande dan ook vast dat eiser in aanmerking komt voor een schadevergoeding van € 1.500, -.
26. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding voor vergoeding van de proceskosten die eiser voor dit verzoek heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5, omdat de zaak van licht gewicht is). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding omdat het verzoek op zitting inhoudelijk niet tot nauwelijks is besproken.
Met betrekking tot AWB 25/20579
27. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangegeven dat hij dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening intrekt wegens het ontbreken van procesbelang. Wel heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Eiser heeft aangevoerd dat het verzoek zekerheidshalve was ingediend omdat verkeerde informatie aan de gemachtigde was verstrekt over de bekendmaking van het besluit. Door deze foutieve informatie zag de gemachtigde zich genoodzaakt om onderhavig verzoek in te dienen om uitzetting te voorkomen. Deze procedure had niet gevoerd hoeven worden als haar de juiste informatie was verstrekt.
28. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af en overweegt daartoe als volgt. Als een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift of het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [14] De rechtbank stelt vast dat de minister het besluit van 23 oktober 2025 niet herroepen of herzien heeft. De intrekking van onderhavig verzoek is ook niet het gevolg van het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan eisers door de minister. Niet is gebleken van een onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit. Niet in geschil is dat het bestreden besluit op 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt terwijl de stelling dat foutieve informatie over de bekendmaking is verstrekt, niet is onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek om proceskosten daarom af.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep met procedurenummer AWB 25/20689 is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft en eiser geen gelijk krijgt. Het verzoek om schadevergoeding wordt wel toegewezen. Hierom krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten in procedurenummer AWB 25/20689. Het verzoek om een proceskostenvergoeding in procedurenummer AWB 25/20579 wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak AWB 25/20689:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500, -;
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe tot een bedrag van
€ 467,-;
de voorzieningenrechter, in de zaak AWB 25/20579:
- wijst het verzoek om proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.AWB 25/20689
2.In procedurenummer AWB 25/20579
3.Als ook AWB 25/20579.
4.Met procedurenummer AWB 25/20690
5.Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 november 2025.
6.De laatste pleegdatum vermeld op het uittreksel van 27 november 2025 is 2 oktober 2025.
7.Zie WI xxx
8.Zie bijvoorbeeld het verslag van het vertrekgesprek van 2 december 2025.
9.Van 18 december 2024.
10.Daar is in dit verband meegenomen dat eiser de Marokkaanse taal enigszins spreekt, bekend is met de Marokkaanse sociale en culturele gewoontes en een netwerk heeft in Marokko. Eiser ging vaak met familie voor periodes van zes weken naar Marokko en verbleef dan bij familie en kennissen. Hij heeft daar naar eigen zeggen nog altijd familie en kennissen wonen en kan contact met hen opnemen.
11.Van 28 maart 2025, AWB 24/11150.
12.Van 10 juli 2025, AWB 25/3308.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1034 en van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:797.
14.Dat volgt uit artikel 8:75a en artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).