ECLI:NL:RBDHA:2026:19644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL25.23231
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 32 Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009)ECLI:NL:RVS:2022:1918ECLI:NL:RVS:2022:1137ECLI:EU:C:2013:862
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visum kort verblijf

Eiser, een Marokkaanse boer, vroeg op 3 december 2024 een visum kort verblijf aan om zijn neef te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 18 december 2024 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 27 mei 2025, omdat eiser onvoldoende het doel van het verblijf en zijn binding met Marokko zou hebben aangetoond.

Eiser stelde dat ten onrechte geen hoorzitting was gehouden in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is en dat een uitzondering hierop terughoudend moet worden toegepast. Eiser had veel bewijs overgelegd van zijn werkzaamheden als boer en zijn economische en sociale binding met Marokko, waardoor een hoorzitting op zijn plaats was geweest.

De rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de economische binding van eiser niet zwaarder woog en dat de sociale en economische binding samen beoordeeld moesten worden. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.868.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.23231
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 3 december 2024 verzocht om de afgifte van een visum kort voor verblijf om op bezoek te gaan bij zijn neef, [persoon] (referent).
2.2.
Met het primaire besluit van 18 december 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Volgens verweerder heeft eiser de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, mr. L. Hu als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase.
3.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In bezwaar heeft eiser veel stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij werkzaam is als boer. Eiser heeft een registratiebewijs van zijn ziektekostenverzekering (certificat d'immatriculation au regime de l'assurance maladie obligatoire), een vaccinatiebewijs voor koeien, schapen en geiten (certificat de vaccination des vachez, moutons et chevres) een beroepsverklaring (attestation de profession) en een inschrijvingsbewijs van het landbouwbedrijf (certificat d'inscription de l'exploication agricole) overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser veel inspanningen heeft verricht om aan te tonen dat hij werkzaam is als boer en dat hij daar zijn geld mee verdient. Eiser stelt verder dat hij zijn inkomsten contant ontvangt en zijn uitgaven contant verricht. Eiser heeft toegelicht dat dit de algemene betalingspraktijk is in de agrarische sector in het gebied waar hij woont.
3.4.
De rechtbank is ook van oordeel dat het hier op de weg van verweerder had gelegen om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder de gerezen vragen aan eiser kunnen stellen en eventueel kunnen aangeven welke aanvullende documenten eiser nog had kunnen aanleveren. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook erkend dat er voldoende aanleiding was om eiser te horen.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
4.1.
In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank over de economische en sociale binding het volgende op.
4.2.
Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [3] Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge. [4]
4.3.
Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de werkzaamheden van eiser als boer in het kader van de economische binding geen zwaarder gewicht toekomt dan hij daaraan in het bestreden besluit heeft toegekend. De rechtbank vindt de toelichting van eiser dat betalingen contant plaatsvinden in de agrarische sector in het gebied waar hij woont ook niet onaannemelijk. Eiser woont namelijk in een klein plattelandsdorp in Marokko en op de zitting heeft referent toegelicht dat de dichtstbijzijnde bewoonde stad op een afstand van drie uur lopen ligt. Eiser heeft verder met stukken onderbouwd dat hij tientallen koeien, schapen en geiten bezit. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit ook daaruit een economische binding voort, nu niet aannemelijk is dat eiser deze schapen en geiten voor onbepaalde tijd alleen kan laten. Concluderend merkt de rechtbank op dat eiser zijn economische binding met Marokko zo goed als mogelijk heeft onderbouwd.
4.5.
Ten aanzien van de sociale binding overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft toegelicht dat hij het enige kind is binnen zijn gezin en dat hij samenwoont met zijn moeder. Hij voorziet in het onderhoud van zijn moeder en is kostwinner. Eiser heeft zijn hele leven in Marokko gewoond. Volgens verweerder kan op grond hiervan niet worden aangenomen dat de sociale binding van eiser zodanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. De rechtbank merkt in dit kader echter op dat sociale en economische binding als communicerende vaten moeten worden gezien. Daarmee wordt bedoeld: hoe geringer de ene binding is, hoe sterker de andere binding moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval de sociale en economische binding meer in onderlinge samenhang in de afweging had moeten betrekken.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten aan eiser vergoeden. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
3.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
4.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.