ECLI:NL:RBDHA:2026:19576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering bij psychische problematiek

Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld ter fine van terugkeer naar Marokko. Tijdens het bewaringsgehoor heeft eiser verklaard te kampen met medische en psychische problemen, waarna een schouwarts is ingeschakeld. De minister motiveerde de maatregel slechts op basis van het onttrekkingsrisico, zonder in te gaan op de psychische problematiek en de proportionaliteit van de maatregel.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom, ondanks de psychische klachten, niet volstaan kon worden met een lichter middel. De verwijzing naar beschikbaarheid van medicatie in Marokko betreft slechts het zicht op uitzetting en is geen motivering voor de proportionaliteit van de maatregel.

De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel met ingang van 10 juli 2026 en gelast de invrijheidstelling van eiser. Tevens kent zij een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring en vergoedt zij de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende motivering omtrent de psychische problematiek en proportionaliteit, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37187

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld op diezelfde dag.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Bentaieb als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) zich voordoen. [6]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De beoordeling door de rechtbank
5. Eiser voert aan dat een verslag van het bezoek van de arts die door de marechaussee is ingeschakeld om eiser te bezoeken ontbreekt in het dossier. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven welke klachten hij heeft en dat hij medicatie gebruikt. In de maatregel van bewaring is volgens eiser, gelet op zijn verklaringen tijdens het gehoor over zijn gezondheidstoestand, onvoldoende gemotiveerd waarom hij met die klachten in bewaring is gesteld en waarom in deze situatie niet volstaan wordt met een lichter middel. Er is geen sprake van een strafrechtelijk verleden en eiser heeft aangegeven dat hij zich zou melden wanneer een meldplicht wordt opgelegd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden en het daaruit volgende onttrekkingsrisico volstaat daarvoor niet. [7] Die motivering ziet immers alleen op de noodzaak om de maatregel op te leggen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft verklaard dat hij geestelijk ziek is, dat hij in Marokko medicatie kreeg voor zijn been, dat hij Diazepam gebruikt, dat hij zichzelf vroeger sneed en dat hij daarvan oude littekens heeft, dat hij dit lange tijd niet meer heeft gedaan, maar dat hij in Duitsland ruzie kreeg met een beveiliger en dat hij zichzelf toen weer heeft gepijnigd omdat hij niet tegen de stress kan. Uit het verslag van het gehoor blijkt bovendien dat wordt aangegeven dat een arts voor eiser in kennis zal worden gesteld. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser is geschouwd door een arts voorafgaand aan het opleggen van de maatregel. In de ‘Checklist medische zorg’ die zich in het dossier bevindt, staat ook dat eiser heeft aangegeven psychologische en mentale klachten te hebben en dat hij snijwonden heeft op zijn arm. Uit het voorgaande volgt dat eiser heeft verklaard over psychische problemen en dat deze ook daadwerkelijk zijn geconstateerd door de medewerkers van de marechaussee. In de maatregel van bewaring is desondanks niet gemotiveerd waarom, gelet op deze klachten, toch de maatregel van bewaring opgelegd kon worden en niet is volstaan met een lichter middel. Weliswaar is in de maatregel terecht opgenomen dat sprake was van een risico op onttrekking, mede vanwege de uitingen van eiser dat hij naar Frankrijk zal gaan als hij vrijkomt, dit neemt niet weg dat ook moet worden ingegaan op eisers verklaringen over zijn gezondheid. Dat is op geen enkele wijze gebeurd, zo staat zelfs niet in de maatregel dat de zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar is met de zorg die in de vrije maatschappij beschikbaar is, zoals dat in de meeste maatregel wel standaardmatig is opgenomen. De minister heeft dit op zitting weliswaar naar voren gebracht, maar uit het oogpunt van kenbaarheid en toetsbaarheid had de lichter-middel-motivering in de maatregel van bewaring terug te vinden moeten zijn en de bewaringsmaatregel voldoet dus niet aan het motiveringsvereiste. [8] De verwijzing van de minister naar pagina 6 van de maatregel waar is opgenomen dat de gezondheidstoestand van eiser zich niet tegen uitzetting verzet omdat eiser medicatie gebruikt die hem in Marokko is verstrekt en daar dus opnieuw verstrekt kan worden, acht de rechtbank geen voldoende motivering. Dit is namelijk een motivering die ziet op de vraag of de gezondheidssituatie van eiser maakt dat hij niet kan worden uitgezet naar Marokko vanwege zijn gezondheid en een mogelijk hieruit voortvloeiend refoulementrisico en het gaat niet over de vraag of in dit geval volstaan had moeten worden met een lichter middel. Dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is, zoals de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, maakt ook niet dat de motivering in het kader van het lichter middel kon ontbreken. De situatie kan zich immers voordoen dat een vreemdeling niet detentieongeschikt is maar dat de maatregel van bewaring vanwege de gezondheidstoestand van een vreemdeling wel onevenredig bezwarend is (geworden) en dat daarom volstaan moet worden met een lichter middel. De rechtbank zegt niet dat dat in deze zaak het geval is, maar de motivering dat dat niet zo is en dat daar in deze zaak naar is gekeken, ontbreekt in de maatregel. De rechtbank stelt dus niet vast dat de maatregel niet had mogen worden opgelegd, maar stelt vast dat in de maatregel niet is gemotiveerd waarom in de psychische problematiek geen aanleiding is gezien om de maatregel onevenredig bezwarend te vinden en daarom – ondanks het onttrekkingsrisico – te volstaan met een lichter middel of geheel af te zien van een maatregel én een lichter middel.
6. Omdat het beroep hierom al gegrond is en de maatregel met ingang van de inbewaringstelling onrechtmatig was, zal de rechtbank de overige rechtmatigheidsaspecten niet beoordelen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen ervan, vanaf 3 juli 2026, onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 10 juli 2026 en gelast de invrijheidstelling van eiser.
7.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.000,-.
7.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 10 juli 2026;
-gelast de invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.De rechtbank wijst op ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
8.C-146/14 PPU, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320.