ECLI:NL:RBDHA:2026:19574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36374
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 94 lid 4 Vw 2000Art. 15 lid 2 GrondwetArt. 5 lid 4 EVRMArt. 6 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens schending aanwezigheidsrecht en non-refoulement toets

Eiser werd op 1 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op overdracht aan Duitsland. De feitelijke overdracht was gepland op 7 juli 2026, gelijktijdig met de zitting waarin het beroep tegen de bewaring werd behandeld. De rechtbank constateert dat eiser niet in persoon kon worden gehoord, wat een schending van het fundamentele aanwezigheidsrecht vormt.

Verweerder informeerde te laat over de overdrachtstijd en onderbouwde onvoldoende waarom de overdracht niet op een ander tijdstip kon plaatsvinden. De rechtbank benadrukt dat het aanwezigheidsrecht niet lichtvaardig mag worden ontnomen en dat de regievoerder onvoldoende heeft aangetoond dat een latere overdracht onmogelijk was.

Daarnaast moet de bewaringsrechter ambtshalve toetsen of het non-refoulementbeginsel aan de overdracht in de weg staat. Hoewel het overdrachtsbesluit rechtmatig werd bevonden, is de schending van het aanwezigheidsrecht voldoende om de maatregel onrechtmatig te verklaren.

De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €840 en proceskosten van €934. Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van het aanwezigheidsrecht en onrechtmatigheid van de maatregel, en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36374

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1996,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel ).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 1 juli 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw en de rechtbank daarvan op 1 juli 2026 in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft partijen op 2 juli 2026 medegedeeld dat de mondelinge behandeling van het beroep zal plaatsvinden op 7 juli 2026 om 11:00 uur.
Verweerder heeft de gemachtigde van eiser op 3 juli 2026 medegedeeld dat de feitelijke overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten op 7 juli 2026 om 11:00 uur zal plaatsvinden.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Beide gemachtigden zijn verschenen. Het DTC Rotterdam heeft de rechtbank op 6 juli 2026 medegedeeld dat het vervoer van eiser naar de rechtbank is geannuleerd omdat eiser op 7 juli 2026 wordt overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
Na sluiting van het onderzoek heeft verweerder, zoals de rechtbank ter zitting heeft verzocht, de M113 aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat de maatregel op 7 juli 2026 is opgeheven omdat eiser is overgedragen aan de Duitse autoriteiten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
2. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat de M105-A onvolledig is omdat er onder 3 niets is ingevuld. Eiser vindt verder dat verweerder zijn verklaringen en proceshouding ten onrechte kwalificeert als niet-meewerkend omdat eiser ook heeft verklaard wel mee te zullen werken aan de overdracht maar eerst medische behandelingen nodig heeft. Ten onrechte is in het dossier vermeld dat hij niet is verschenen op een vertrekgesprek, althans dat wordt hem ten onrechte verweten omdat hij de uitnodiging voor dat betreffende gesprek nooit heeft gehad. Eiser betwist voorts een aantal gronden die zijn opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen. Eiser heeft ook aangevoerd dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel omdat de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig moet zijn. Eiser kampt met medische problematiek en niet duidelijk is waarom niet eerst een vrijheidsbeperkende maatregel is overwogen en niet duidelijk is waarom de maatregel zoveel dagen voor de overdracht is opgelegd nu eiser zich niet eerder heeft onttrokken aan het toezicht. De gemachtigde van eiser verzoekt verweerder ook mede te delen of er een fit to fly-beoordeling heeft plaatsgevonden.
4. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de gronden en heeft de maatregel rechtmatig geacht. Verweerder heeft toegelicht dat hij aanneemt dat de feitelijke overdracht ten tijde van het onderzoek heeft plaatsgevonden omdat uit het dossier zou blijken als dit niet het geval zou zijn. Verweerder heeft verder aangegeven dat er geen fit to fly-beoordeling heeft plaatsgevonden.
5. De rechtbank komt tot de conclusie dat de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel tot aan de overdracht aan de Duitse autoriteiten onrechtmatig is geweest en motiveert dit als volgt.
6. Het recht om op een zitting te worden gehoord, zoals geregeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, is een uitwerking van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van Pro het Handvest. Dat recht is een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Het recht om te worden gehoord is echter niet absoluut en kan onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking moet wel evenredig zijn en de kern van het recht niet aantasten.
7. De rechtbank verwijst voor dit beoordelingskader naar de uitspraken van de Afdeling van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991), 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285), 10 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2296), 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:86) en 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3939).
8. In de onderhavige procedure heeft te gelden dat verweerder voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser. De rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft op 24 juni 2026 het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBOBR:2026:4481, niet gepubliceerd maar bij beide partijen bekend). In de aanbiedingsbrief is vermeld dat verweerder op 24 juni 2026 de overdracht heeft gepland en dat de overdracht op 7 juli 2026 kan plaatsvinden. Uit het claimakkoord blijkt dat de Duitse autoriteiten 3 werkdagen voor de overdracht op de hoogte willen worden gesteld van de overdracht, tenzij de overdracht een minderjarige vreemdeling of een vreemdeling met psychische of mentale problemen betreft. In dat laatste geval, geldt een termijn van 10 dagen en de rechtbank neemt aan dat deze termijn is gehanteerd gelet op de problematiek van eiser. Indien verweerder een overdracht plant en deze overdracht, al dan niet noodzakelijkerwijs, op de laatste dag voor het verstrijken van de overdrachtstermijn zal plaatsvinden, betekent dit niet zonder meer dat aan het recht van eiser om in persoon door de rechter te worden gehoord over de vrijheidsontnemende maatregel geen gewicht toekomt. In de onderhavige procedure stelt de rechtbank vast dat het aanwezigheidsrecht van eiser is geschonden.
9. Verweerder deelt het tijdstip van de feitelijke overdracht aan de gemachtigde van eiser mee op het moment dat hij al door de rechtbank is geïnformeerd over de dag en het tijdstip waarop de rechtbank eiser zal horen. In plaats van eiser op 3 juli 2026 te informeren dat de overdracht op 7 juli 2026 om 11:00 uur zal plaatsvinden, welk moment samenvalt met de behandeling van het bewaringsberoep, had verweerder moeten nagaan of de overdracht op een ander tijdstip had kunnen plaatsvinden. Uit claimakkoord blijkt dat de Duitse autoriteiten overdrachten toestaan van maandag tot en met vrijdag, behoudens vakanties, en van 07:00 uur tot 18:00 uur. Niet valt in te zien waarom eiser niet om 11:00 uur in Roermond ter zitting kan verschijnen om gedurende 30 minuten te worden gehoord om vervolgens naar de grensovergang Aachen Nord/Heerlen te worden vervoerd om aldaar te worden overgedragen. Dit betreft immers slechts een rit van nog geen 60 kilometer, waarbij bovendien te gelden heeft dat een rit van DTC Rotterdam naar deze grensovergang eenvoudig met een tussenstop in Roermond kan plaatsvinden, zodat de tijd die gemoeid is met het laten deelnemen van eiser aan de zitting relatief gering is.
10. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de regievoerder zich heeft ingespannen om de overdracht op een later tijdstip te laten plaatsvinden. De rechtbank acht dit zorgvuldig en overweegt dat uit deze handelwijze van de regievoerder blijkt dat hij/zich rekenschap heeft gegeven van het belang van het aanwezigheidsrecht van eiser. De rechtbank overweegt echter ook dat de mededeling dat ‘het niet mogelijk was’ niet volstaat als rechtvaardiging voor het ontnemen van het recht van eiser om ter zitting te verschijnen. Dat het niet mogelijk was om eiser om 11:30 uur naar de grensovergang te brengen om over te dragen is in het geheel niet onderbouwd. Er is geen document overgelegd waaruit blijkt dat de Duitse autoriteiten niet kunnen instemmen met een latere overdracht. Er is ook geen onderbouwing dat het vervoer op een later tijdstip niet mogelijk is. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het ‘niet goed uitkomen’ niet zou volstaan als rechtvaardiging om eiser niet in de gelegenheid te stellen om in persoon te worden gehoord. Het kan immers niet zo zijn dat ‘de vervoerder’ bepaalt of eiser wel of niet van zijn aanwezigheidsrecht gebruik kan maken. Als de regievoerder aangeeft dat eiser eerst om 11:00 uur door de rechtbank in Roermond wordt gehoord en aansluitend of later op die dag tot 18:00 uur kan worden overdragen, dan dient zorg te worden gedragen voor vervoer. Uit het dossier blijkt niet dat eiser een gevaar vormt voor derden. Een vreemdelingrechtelijk onttrekkingsrisico betekent niet dat sprake is van vluchtgevaar. Hoewel eiser -kennelijk- niet door de inrichtingarts van het DTC is geschouwd voor een fit to fly-beoordeling, gaat de rechtbank er van uit dat eiser wel is begeleid door medische escorts. Bij de kennisgeving van de feitelijke overdracht heeft verweerder de gemachtigde van eiser namelijk te kennen gegeven dat eiser pas op 6 juli 2026 door de DT&V op de hoogte wordt gebracht van de overdracht en haar verzocht om ‘omwille van de gemoedstoestand van haar cliënt’ dit niet eerder tegen eiser te zeggen en dit anders door te geven zodat de DJI de gemoedstoestand van eiser ‘kan monitoren’. Indien de organisatie van medische begeleiding tot gevolg zou hebben dat eiser alleen om 11:00 uur kon worden overgedragen, had het op de weg van verweerder gelegen om dit schriftelijk vast te leggen zodat de rechtbank dit had kunnen betrekken bij de beoordeling of de schending van het aanwezigheidsrecht de maatregel onrechtmatig maakt.
11. De rechtbank overweegt verder dat indien verweerder wel genoegzaam zou hebben onderzocht of de overdracht op een ander tijdstip zou hebben kunnen plaatsvinden en indien verweerder had kunnen onderbouwen dat dit niet het geval is, het in de rede had gelegen om hierover contact op te nemen met de rechtbank. De rechtbank zou zich dan zonder meer hebben ingespannen om na te gaan of eiser eerder op de dag in persoon in de rechtbank of middels een telehoorverbinding had kunnen worden gehoord. Indien verweerder op 3 juli 2026 niet alleen de gemachtigde van eiser zou hebben geïnformeerd dat de overdracht op 7 juli 2026 om 11:00 uur zou plaatsvinden maar ook contact had gezocht met de griffie van de rechtbank, zou de rechtbank zich ook hebben ingespannen om na te gaan of eiser wellicht op maandag 6 juli 2026 gehoord zou kunnen worden. De rechtbank is er van uit gegaan dat eiser naar de rechtbank zou worden gebracht en aansluitend aan zijn gehoor zou worden overgedragen en dat verweerder dit ook ‘zou hebben geregeld’ met de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft echter het DTC op een zodanig laat tijdstip op 6 juli 2026 de rechtbank laten weten dat het vervoer is geannuleerd dat de rechtbank niet meer in staat is geweest om zelf zorg te dragen voor het gehoor.
12. De rechtbank overweegt dat het aanwezigheidsrecht een zodanig fundamenteel element van de bewaringsprocedure is, dat het niet aan eiser is om uitdrukkelijk te verzoeken om gebruik te maken van zijn recht, maar dat het aan verweerder is om dit niet lichtvaardig te ontnemen door zich onvoldoende in te spannen om zorg te dragen voor vervoer naar de rechtbank op de dag van de feitelijke overdracht en door onvoldoende inspanningen te leveren om bij het plannen van de feitelijke overdracht rekening te houden met de reeds geplande zitting. In het onderhavige geval heeft dit ook tot gevolg dat verweerder de rechtbank de mogelijkheid ontneemt om zich ter vergewissen van de psychische en medische conditie van eiser door dit met eiser in persoon te bespreken. Nu een van de voornaamste beroepsgronden ziet op deze problematiek en de beslissing om niet te volstaan met een enkel lichter middel of vrijheidsbeperkende maatregel, had de rechtbank ook indien de schending van het aanwezigheidsrecht niet tot de onrechtmatigheid van de maatregel had geleid, tot gevolg gehad dat de rechtbank de maatregel onrechtmatig zou hebben bevonden. De rechtbank overweegt hierbij dat de bewaringsrechter die een maatregel die strekt tot overdracht aan een andere lidstaat controleert ook moet nagaan of het beginsel van non-refoulement aan de overdracht in de weg staat. Het refoulementverbod is immers een algemene regeling en heeft een absoluut karakter. Indien de overdracht moet worden verboden vanwege het beginsel van non-refoulement, kan de maatregel niet strekken tot het verzekeren van de overdracht en is de maatregel dus onrechtmatig. Het refoulementverbod zal in iedere fase van de overdrachtsprocedure moeten worden beoordeeld en dus niet alleen door verweerder, maar ook door de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de maatregel controleert. Dat eiser kan opkomen tegen het overdrachtsbesluit en bezwaar kan maken tegen de feitelijke overdracht doet niet af aan de verplichting van bewaringsrechter om, zo nodig ambtshalve, te controleren of de overdracht leidt tot een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 Handvest Pro. De bewaringsrechter controleert overigens niet de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, maar controleert of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd. In het onderhavige geval heeft te gelden dat de rechtbank in haar uitspraak van 24 juni 2026 het overdrachtsbesluit rechtmatig heeft bevonden. De gemachtigde van eiser heeft op vragen van de rechtbank medegedeeld dat de Afdeling op 6 juli 2026 het hoger beroep tegen die uitspraak ongegrond heeft verklaard en de uitspraak van de rechtbank met een zogenoemde 91.2-motivering heeft bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft afgewezen. De rechtbank heeft besproken dat de laatste rechterlijke controle van het refoulementrisico dus op 6 juli 2026 heeft plaatsgevonden en er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die op 7 juli 2026 tot de conclusie leiden dat die beoordeling achterhaald is.
13. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het aanwezigheidsrecht van eiser heeft geschonden. Omdat in het geheel niet is gebleken dat het onmogelijk is geweest om eiser over te dragen op 7 juli 2026 zonder dit aanwezigheidsrecht te schenden, verbindt de rechtbank aan deze schending de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de gemotiveerde beroepsgronden en het verweer daartegen omdat die beoordeling niet tot een andere uitspraak kan leiden.
14. Omdat de maatregel onrechtmatig is, is verweerder gehouden om eiser een schadevergoeding te betalen. De overdracht heeft plaatsgevonden en de maatregel is daarom opgeheven, zodat de rechtbank kan volstaan met de gegrondverklaring van het beroep, de toekenning van schadevergoeding (€ 7 x 120,-) en het uitspreken van een proceskostenveroordeling. De rechtbank zal voor de hoogte van de schadevergoeding en de proceskostenveroordeling uitgaan van de standaardmatig toegekende bedragen.
15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.