ECLI:NL:RBDHA:2026:19567
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring ondanks vertraagde kennisgeving
Deze zaak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 1 juli 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist onder meer dat verweerder de rechtbank onverwijld heeft geïnformeerd over de oplegging van de maatregel.
De rechtbank constateert dat door een computerstoring de kennisgeving aan de rechtbank pas twee dagen na oplegging van de maatregel is verzonden, wat niet voldoet aan de wettelijke verplichting tot onverwijlde kennisgeving. Dit gebrek komt voor rekening van verweerder. Desondanks acht de rechtbank dit gebrek niet onrechtmatig omdat de rechtbank nog tijdig uitspraak kan doen binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen, zodat eiser tijdig een oordeel krijgt over de rechtmatigheid van de bewaring.
Eiser voerde aan dat de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege zijn astmatische klachten en eerdere bewaring in Zwitserland. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de maatregel passend is en dat de medische zorg in het detentiecentrum adequaat is. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Kraefft en griffier R. Pronk op 15 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks de vertraagde kennisgeving.