ECLI:NL:RBDHA:2026:17144
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Eiser is op 13 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ambtenaar heeft de rechtbank onverwijld van deze maatregel in kennis gesteld, wat gelijkstaat aan het instellen van beroep. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 behandeld via een beeldverbinding.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder de ongeldigheid van de machtiging van zijn vertegenwoordiger, het ontbreken van een digitale handtekening op het besluit, het niet onverwijld informeren van de rechtbank, en de stelling dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de machtiging rechtsgeldig was, het besluit rechtsgeldig digitaal was ondertekend, en de kennisgeving ondanks een technische storing binnen twee dagen onverwijld was gedaan.
De rechtbank stelde vast dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de maatregel onevenredig bezwarend was. De fobie van eiser werd meegewogen, maar vormde geen reden om af te zien van de maatregel. De ambtshalve toetsing leverde geen andere conclusie op.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.