ECLI:NL:RBDHA:2026:19417

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25980
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013Verordening (EU) nr. 2024/1351
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing interstatelijk vertrouwensbeginsel België

Eiser, een Iraakse alleenstaande man, diende op 22 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat België verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België kan worden toegepast, mede vanwege structurele tekortkomingen in de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd vastgesteld dat België tekortschiet in opvangvoorzieningen en effectieve rechtsbescherming voor deze groep. De brief van Fedasil van 5 februari 2026 biedt volgens de rechtbank onvoldoende bewijs dat deze situatie is verbeterd.

Daarom is het bestreden besluit in strijd met de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25980

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te bezitten en geboren te zijn op [datum] 1989. Uit het Eurodac-resultaat is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft gedaan in België. Hij heeft vervolgens op 22 december 2025 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft niet kunnen concluderen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of het verkrijgen van effectieve rechtsbijstand ten aanzien van het verkrijgen van opvang. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.
Wat houdt het bestreden besluit in?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. [1] Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). [2] Omdat het bestreden besluit is genomen vóór 12 juni 2026 zijn de regels van de AMBV in deze zaak nog niet van toepassing. De rechtbank gaat dus wel uit van de regels in de Dublinverordening.
3.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder bij de Belgische autoriteiten op 26 januari 2026 een terugnameverzoek gedaan. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 28 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Heeft verweerder ten aanzien van België mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betwist dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij is een alleenstaande mannelijke asielzoeker. Voor deze groep asielzoekers is de situatie in België lange tijd problematisch geweest, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 23 juli 2025 [3] heeft vastgesteld. Het standpunt van verweerder dat overdracht van alleenstaande meerderjarige mannen naar België inmiddels weer mogelijk zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. De algemene verwijzing naar een brief van Fedasil [4] van 5 februari 2026 volstaat niet.
4.1.
In het bestreden besluit stelt verweerder zich, onder verwijzing naar het Informatiebericht SUA “IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen” en de brief van Fedasil, op het standpunt dat er geen informatie is dat België zich in de situatie van eiser niet aan de internationale regels houdt. Volgens Fedasil staan er al een lange tijd veel minder mannen op de doorstroomlijst voor een plek in het reguliere opvangnetwerk. In een jaar tijd is het aantal personen op de lijst gehalveerd en dit aantal blijft steeds verder afnemen. De gemiddelde doorstroomtijd is nu 3,5 maand. Terwijl wordt gewacht op een reguliere opvangplek, kunnen alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk toegang krijgen tot een (nood)opvangplaats in België.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 2024 [5] heeft geoordeeld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In haar uitspraak van 23 juli 2025 [6] is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat voor wat betreft de opvangsituatie in België – voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft – er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Verder volgt uit die uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en weigeren gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond om nu te oordelen – anders dan de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 heeft gedaan – dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Uit deze brief blijkt niet dat alleenstaande mannen een plek in de opvang krijgen na overdracht aan België. Ook blijkt uit deze brief niet dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De rechtbank verwijst daarbij naar en sluit zich aan bij de motivering zoals opgenomen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026 [7] en neemt deze over voor zover relevant voor deze zaak.
Wat is de conclusie?
5. Gelet op het voorgaande kon verweerder niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het arrest Jawo [8] . Ook mocht verweerder er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Verweerder mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep.
5.1.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 mei 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met Rectificatie (EU) 2025/90929.
4.Federaal agentschap opvang asielzoekers.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.