Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- opvangvoorzieningen: er is sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen;
- effectieve rechtsbescherming: niet-kwetsbare alleenstaande mannen kunnen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter afdwingen;
- houding van de Belgische autoriteiten: uit het feit dat de autoriteiten zich niet langer inzetten om nieuwe opvangplaatsen te creëren en weigeren om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen blijkt onverschilligheid.
7.1 Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maand na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt; op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000 en volgens de minister op de zitting is dit aantal op 1 mei 2026 inmiddels gedaald tot 1.127.
7.2 Volgens de genoemde brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk ook vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 [4] , hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt, anders dan de minister op de zitting heeft gezegd, onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen.
7.3 Gelet op wat onder 7.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen - en anders dan de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 heeft gedaan - dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 over de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in
België heeft overwogen, had het op de weg van de minister gelegen om meer specifiek
navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.
8. De minister heeft zich op de zitting ook op het standpunt gesteld dat, indien eiser toch geen opvang krijgt, hij daarover kan klagen in België. Volgens de minister is niet gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Ook is volgens de minister niet gebleken dat eiser zich eerder heeft gewend tot de autoriteiten voor hulp of opvang. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.
8.1 De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 [5] geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Daarom is de Afdeling van oordeel dat in België ook op het gebied van rechtsbescherming sprake is van structurele tekortkomingen, die maken dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter kunnen afdwingen. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.