ECLI:NL:RBDHA:2026:1914
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag van 19 december 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn, die voor aanvragen vóór 28 maart 2025 geldt en maximaal 180 dagen kan bedragen, heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, tenzij hij binnen die termijn nader onderzoek aankondigt, waarna de beslistermijn wordt verlengd tot twintig weken. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, en het griffierecht van € 194. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en het toepasselijke bestuursrechtelijke kader. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 2 februari 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een nadere beslistermijn en dwangsom op voor het niet tijdig beslissen op de aanvraag.